Hendrik kreeg gelijk. In Blokzijl moesten ze wachten op de trekschuit die hen naar Steenwijk zou brengen. Rouweneel bestelde te eten voor hen en nu had de vrouw spijt. Ze had zich zo vol gegeten op de boot dat ze het nu niet op kreeg.
Na de lange vermoeiende dag kwamen ze eindelijk aan op Frederiksoord.
Twee mannen stonden hen op te wachten. 'Van den Bosch, Benjamin' zei de een, 'Van den Bosch, Johannes' zei de ander. Dat is die man waar Jeltje het over had schoot door Lies heen. Inderdaad een knappe man. Mevrouw Regagneau was heel vriendelijk en beleefd en deed alsof ze enorm blij met de kinderen was. Jan stond star voor zich uit te kijken maar Lies keek nieuwsgierig in het rond. In keurige rijen zag ze witte huisjes staan met een rieten dak, aan weerzijde van de deur zaten ramen, achter het huis lag een stuk land.
Benjamin bracht hen naar zijn kantoor waar ze zich moesten inschrijven. Daarna gingen ze naar het magazijn waar ze hun kleding in ontvangst namen en het uitgavenboekje. En toen was het grote moment daar, ze gingen naar hun nieuwe onderkomen.
Mevrouw Regagneau was stil en je zag aan haar gezicht dat ze vreesde dat de witte huisjes de woningen zouden zijn. Haar vrees werd bevestigd.
Ze bekeek de kamer, de kachel, de bedstee en de lage zolder en begon toen Hendrik op een vreselijke manier uit te schelden. Ze schreeuwde dat hij gelogen had, moest ze hier gaan wonen? Zonder haar familie, in dit huisje tussen allemaal vreemden? Had ze daarvoor die ellendige reis gemaakt. Hendrik stond daar maar, hij wilde met de kinderen en de mannen erbij geen ruzie maken. De grond zonk onder zijn voeten weg. Al zijn hoop sloeg de bodem in. Voorzichtig bracht hij naar voren dat dit toch wel een stuk beter was dan de vochtige kelder. Maar Rie luisterde niet meer naar rede. Ze raasde en tierde. Lies en Jan slopen zachtjes naar buiten. Ontdaan keek Lies Jan aan. "Moeten we bij haar gaan wonen? Dan heb ik nog liever Krakeel.
Jan bromde wat in zichzelf en sloeg met z’n vuist tegen de muur. Daarna vermande hij zichzelf. ‘Het komt goed’, let maar op het komt goed! Meneer Regagneau is wel heel aardig en hij is niet gek. Let maar op, hij zorgt er wel voor dat zijn vrouw normaal doet. ‘
Lies keek nog eens om zich heen, de akkers waren nog leeg maar uit alle huisjes kwam rook, enkele kinderen speelden buiten. En het was zo stil, je hoorde alleen het ruisen van de wind door de bomen.
‘Ik vind het wel mooi hier,’ zei ze tegen Jan.
Nu keek Jan ook op. 'Ja, heel wat anders dan Den Haag. Kom we gaan eens rondkijken.' Ze liepen het straatje uit en keken bij elke woning nieuwsgierig of ze iemand zagen. Het straatje eindigde in een dwarsstraat met daarachter een sloot. Ze sloegen linksaf en kwamen na een tijdje bij een groot gebouw uit, het rook er naar eten.
Nadat ze alles bekeken hadden liepen ze terug naar hun huis. Ze zagen Hendrik kromgebogen buiten staan. Huilde hij? Toen hij de kinderen zag streek hij snel over zijn ogen. 'Kom, zei hij, jullie moeten jullie omkleden, je moet de kleren aan die je net gekregen hebt.'
Lies keek naar haar mooie reiskleding, mocht ze dat niet aanhouden? Vroeg ze. Nee kind, iedereen draagt hier hetzelfde, dan krijg je ook geen afgunst. Je bent dat toch wel van het weeshuis gewend?
Binnen zat mevrouw Regagneau. Ze zag de kinderen niet eens. Met haar armen hangend tussen haar benen keek ze strak voor zich uit. Ze mompelde af en toe wat en schudde steeds haar hoofd.
Lies voelde ergens wel medelijden met haar. Ze zag er zo eenzaam uit. Ze liep naar haar toe en legde een hand op haar schouder.
De vrouw schrok op en schreeuwde 'Sodemieter op, ik wil jullie niet zien, rot op!' Geschrokken deinsde Lies terug. Jan stapte naar voren en keek de vrouw recht in haar gezicht.
Bedaard zei hij ‘Nee, we gaan niet weg, we moeten bij u wonen of u het wil of niet. We moeten de kleren aan en als eerste trekt Lies die aan, alleen… en als zij klaar is dan trek ik ze aan. U kunt wel even buiten wachten.' Tot Lies’ verbazing gehoorzaamde de vrouw ook al stribbelde ze tegen. Buiten hoorden ze haar tegen Hendrik schreeuwen. Lies grijnsde naar Jan. ‘Goed gedaan zeg.’
Ach mompelde Jan, ik ben al heel wat gewend, het is een trucje, je moet ze recht aan kijken en niet met je ogen knipperen. Dat werkt altijd, dan zien ze dat je niet bang voor ze bent. Probeer het maar eens maar er is wel een nadeel, ze krijgen dan wel de pest aan je omdat ze niets tegen je kunnen beginnen. Als je dat niet wil moet je af en toe net doen of je wel bang bent.
‘Nou dat ben ik ook!’ zei Lies. 'Krakeel kende ik goed en die zei altijd hetzelfde, daar was ik niet bang meer voor, maar zij…'
Jan haalde zijn schouders op. 'Die vrouw is heel dom. Die kan jou niets maken, zorg er alleen voor dat jij niet gaat schreeuwen of rare dingen gaat doen, dan verpest je het voor jezelf.' Lies knoopte dat goed in haar oren.
Toen Jan het huisje uit was kleedde ze zich snel om. De blauwe jurk was van grove stof en het was even wennen na de zachte warme reiskleding. Zorgvuldig verborg ze haar oude kleding in een hoek op de zolder. Daarna ging ze naar buiten zodat Jan en Hendrik de koloniekleren konden aantrekken.
Even later kwamen ze weer terug en Lies moest ondanks alles giechelen. Er stonden twee keurige mannen voor haar in een donkerblauw pak. Hendrik liep onwennig rond op de klompen die hij ook gekregen had. Op zijn hoofd had hij een pet die een beetje te groot was, als hij z’n hoofd bewoog zakt het ding bijna over z’n ogen. Jan grimaste even. Hij voelde zich knap opgelaten in het pak maar liet niets merken. Mevrouw Regagneau was nergens te bekennen, wat iedereen eigenlijk wel prettig vond. Ze bekeken het huisje nu grondig en ontdekten de schuur met allerlei gereedschap. Binnen bekeek Lies de keukenspullen en de meubels en bedstee. Zouden ze met z’n allen in dat ding moeten vroeg ze zich af. Het was een leuk huisje vond ze. Rouweneel kwam binnenstappen en vroeg of ze meeging naar het grote huis, daar konden ze de andere bewoners ontmoeten.
Nog steeds geen spoor van Rie. Na een tijdje begon Hendrik ongerust te worden.
Je wist het met Rie maar nooit. Gedrieën gingen ze op zoek en vonden haar in het kantoor van de heren Van den Bosch. Rie stond te schreeuwen en te huilen dat ze terug wilde. Dat ze die kleren niet aan wilde, dat ze niet in dat huis wilde wonen, niet wilde werken, niets niets niets. Ze stond te stampvoeten van kwaadheid. Johannes probeerde haar te kalmeren en Benjamin stond er een beetje onbeholpen bij. Hendrik stapte op haar af en sleurde haar naar buiten, Rie bleef vloeken en schreeuwen. Hendrik zei niets totdat hij haar het huis binnen duwde en de deur voor de kinderen hun neus dicht gooide. Jan en Lies hoorde Rie hard gillen maar opeens was het stil. Hendrik stapte buiten adem naar buiten. ‘Daar hebben we voorlopig geen last van.’gromde hij.
Lies gluurde naar binnen en zag Rie doodstil zitten voor het raam. Ze zag spierwit.
Hendrik was kapot, hij kon niet meer. Inwendig vervloekte hij zichzelf dat hij ooit die vrouw in huis had gehaald. Het was niets dan ellende met haar.
Benjamin en Johan kwamen aanlopen en spraken Hendrik aan. Op zeer formele en afstandelijke toon werd hem door Johan te verstaan gegeven dat dit gedrag niet getolereerd werd. Benjamin verzachtte het wat door te zeggen dat het vermoedelijk de vermoeidheid was en de spanning. Het zou morgen vast beter gaan, dan zou ze zien hoe veel geluk ze had dat ze hier terecht kon.
Hendrik had zo z’n twijfels maar hield die voor zich. Lies en Jan stonden er zwijgend bij. Lies nam zich voor nooit zoals deze vrouw te worden.
Er klonk een bel en de heren vertelden dat ze naar de centrale keuken konden gaan om hun eten te halen. In huis waren pannen die ze mee moesten nemen. Rie liep even later stilletjes en gedwee mee.
Jan was eigenlijk wel benieuwd wat Hendrik gezegd had, hij had niet verwacht dat de zachtaardige Hendrik dit voor elkaar kon krijgen. Hendrik knipoogde naar Jan alsof hij z’n gedachten kon lezen.
Tijdens het eten bleef Rie zo mak als een lammetje, ze was zelfs vriendelijk tegen iedereen en gaf Jan wat eten van haar toen hij opmerkte dat hij nog wel meer gelust had.
Lies dacht aan Rouweneel. Ze miste hem een beetje, hij was steeds zo aardig geweest en eigenlijk had ze door hem toch wel naar Frederiksoord gewild. Ze vroeg zich af of Jeltje het alleen wel zou redden. Was zij maar hier dan was alles toch wel makkelijker geweest…
Na het eten stak Rie de olielamp aan, en Hendrik wakkerde het vuur in de haard aan. Ze bespraken waar iedereen zou slapen. Zowel Jan als Lies wilden op het zoldertje slapen. Volgens Hendrik gaf het geen pas als ze daar samen zouden slapen. Maar hij wist er wel wat op. Hij liep naar buiten en kwam terug met twee strootjes. Wie het langste strootje trok mocht boven slapen. Vol spanning trok Jan zijn strootje en teleurgesteld keek hij naar het kleine eindje. Lies lachte en was enorm blij. Ze ging gelijk het laddertje op en begon de strozak op te kloppen en plofte er op, eindelijk alleen! Eindelijk een plek voor haarzelf.
Jan legde zijn strozak in de hoek van de kamer en trok het laken en de deken strak. Hij was helemaal niet gewend aan een laken en vond het allemaal maar kraken, maar het rook wel lekker.
Hendrik en Rie maakten ook aanstalten om de bedstee in te kruipen maar Rie wilde zich niet uitkleden waar Jan bij was. Hendrik moest het laken van het bed halen en breed uitgespreid open houden zodat Jan niets kon zien. Jan hoorde of zag niet eens meer wat. Hij was doodmoe van alle indrukken die hij die dag opgedaan had en sliep onmiddellijk.
Rie lag te draaien en woelen, ze miste haar oude buurt en had vreselijke spijt dat ze meegegaan was. Ze zag het helemaal niet zitten om te wonen in die paar straatjes. Benjamin van den Bosch had verteld dat ze moest spinnen, zo kon ze haar kleren en de huisraad terugbetalen. Als dat eenmaal gebeurd was dan mochten ze het verdiende geld zelf houden. Maar dan moest ze eerst wel leren spinnen. Ze zou Lies wel achter haar vodden zitten. Met die dunnen vingertjes zou ze vast makkelijk draden kunnen draaien. Ze dacht aan haar vader en moeder en likte haar lippen. Ze zou er heel wat voor over hebben om nu een jenevertje te kunnen nemen. Dan hoefde ze niet meer te denken en werd alles makkelijker.
Hendrik had andere problemen, hij was erg geschrokken van Rie, zoals ze tekeer was gegaan in het kantoor. Hij voelde opnieuw de schaamte. Hij kende haar door en door en vreesde het ergste. Als ze maar haar fatsoen wist te houden en niet steeds tegen iedereen begon te schreeuwen. Hij hoopte dat de kinderen haar genoeg af zouden leiden en glimlachte toen hij dacht aan Jan. De jongen leek zo stug maar had een klein hartje. Hij had gemerkte hoe voorzichtig Jan de deken hoger trok toen ze op het dek lagen. Hoe bezorgd Jan had gekeken toen hij het zo benauwd had. Hendrik vond de kinderen een zegen. Lies met haar vrolijke gezicht had hij gelijk in z’n hart gesloten. Ongelofelijk hoe puur dat kind nog was. Hij moest oppassen dat niet alle kerels achter haar aan gingen lopen en haar lastig gingen vallen. Met haar vrolijke knappe gezicht zou ze heel wat mannen aantrekken.
Uiteindelijk werd het stil in het huis. Iedereen sliep.
De volgende ochtend werden ze in alle vroegte gewekt. Eten en werken luidde de boodschap.
Lies en Rie moesten naar het grote gebouw komen, naar de spinnerij om te leren. Jan en hendrik kregen onderricht in het spitten. Een man deed het voor en de rest moest hem nadoen totdat ze de slag te pakken hadden. Jan leerde snel en kon het werk makkelijk aan. Hendrik daarentegen snakte naar adem en moest duizelig op de grond gaan zitten. Hij haalde fluitend adem, zijn gezicht werd grauw. De man die les gaf schrok enorm, hij dacht dat Hendrik het loodje zou leggen. Hendrik gebaarde dat het wel ging maar elke keer als hij het weer probeerde moest hij het na enkele minuten opgeven. Hij redde het gewoonweg niet. Benjamin en Johannes kwamen hun ronde doen en toen zij Hendrik amechtig op de grond zagen zitten keken ze elkaar aan. Dit was niet de afspraak. Er zouden alleen mannen gestuurd worden die gezond waren en fit genoeg om het zware landwerk te kunnen doen.
Onmiddellijk schreef Benjamin een brief vol verwijten naar Assenhof. Hoe had hij het kunnen doen, deze man die in zo’n slechte conditie was naar Frederiksoord te sturen?
dinsdag 25 november 2008
donderdag 13 november 2008
9 Naar Steenwijk
Lies en Rouweneel zaten nu naast elkaar en keken naar de vrouw van Regagneau. Zij voerde het hoogste woord en at met grote happen van het meegekregen brood. Met volle mond vertelde ze de ene grap na de andere. Lies verstond de Amsterdamse nauwelijks. Ze zag dat de vrouw in het blauw het kind op schoot trok en zich een beetje van de luidruchtige vrouw wegdraaide. Het kind stribbelde tegen en Lies kreeg medelijden met het jongetje. Ze stond op en liep naar het stel toe. ‘Zal ik hem even mee naar buiten nemen? Ik ben gewend met kinderen om te gaan.’ De vrouw fluisterde iets tegen de man en deze knikte en las weer verder. De vrouw zette het kind op de grond en stond resoluut op, ‘Ik ga mee, voor je het weet ligt hij in het water.’ Ze pakte haar mantel en trok het kind een jasje aan. Lies pakte ook vlug haar jas en gedrieën stapten ze naar buiten. De vrouw huiverde even maar haalde daarna diep adem. ‘Dit is beter,’zuchtte ze, ‘even rust en frisse lucht, ik werd gek van die vrouw’. Het kind probeerde zich los te wurmen maar de vrouw hield hem stevig bij zijn hand. Lies haalde haar schouders maar op. Wat moest ze zeggen? Dat zij bij die vrouw ging wonen? Zoekend keek ze rond of ze Jan en haar nieuwe vader zag. De schrik sloeg haar om het hart, ze zag niemand.
Ze liepen langs de roef en zagen toen Jan en Hendrik in diepe slaap.
De vrouw snoof, ‘zeker van die armoezaaiers die naar de kolonie gaan.’
‘Ja, zei Lies, ze gaan naar de kolonie en ik ook. Ik kom bij Jan en die meneer te wonen. De vrouw die zo’n lawaai maakte hoort bij die meneer. Dat wordt mijn nieuwe moeder’
De vrouw deinste terug alsof Lies een besmettelijke ziekte had. Met een beschermend gebaar trok ze haar kind tegen zich aan. ‘Hoe kom jij dan aan die kleren? En wie is die man die bij je is dan?”
‘Die meneer brengt ons weg, ik en Jan komen uit een weeshuis in Den Haag en hij, ze wees naar Hendrik, komt samen met die vrouw die zoveel grapjes maakt uit Amsterdam. Ik heb ze vandaag ook pas voor het eerst gezien. Die kleren heb ik gekregen voor de reis.’
‘Arm kind, kom je bij die vrouw? Dat belooft weinig goeds.’
‘Nou ze was heel aardig tegen ons’ vertelde Lies. misschien is ze ook wel zenuwachtig, ik ga ook altijd heel veel praten als ik zenuwachtig ben.’
‘Dat denk ik niet, ik ken dat slag mensen, beloof me dat je uitkijkt voor haar.’
Lies knikte maar wat. Ze geloofde de vrouw niet zo.
Het kind was ondertussen naar Jan en Hendrik gelopen en trok aan de deken maar beiden gaven ze geen krimp. Nu trok hij harder en rende toen snel weer naar zijn moeder.
‘Laat dat Joachim, laat ze lekker slapen, jij vindt het toch ook niet leuk als iemand jouw dekens wegtrekt.’
‘Ik weet wel een leuk spelletje’ zei Lies. Ze hurkte bij het jongetje ‘Kom eens, jij moet eens raden wat ik zie. Het is heel groot en bruin.’ Het jongetje dacht diep na en begon te lachen. ‘Dat’, hij wees naar het zeil. ‘Goed zo’ en nu moet ik iets raden. Het kind vermaakte zich kostelijk, de vrouw deed op het laatst ook mee totdat het te koud werd en ze weer naar binnen moesten.
De rook sneed hun bijna de adem af. Mevrouw Regagneau was kennelijk ook moe geworden en zat te slapen op de bank met haar voeten op een stoof. Hoestend liep Lies naar Rouweneel die daarop het luik openschoof. Onmiddellijk ging er een gemopper op, het tochtte en het was veel te koud.
‘Even een beetje de rook eruit en dan zet ik hem op een kier. De kinderen stikken hier bijna.’
Het was lekker warm in de kajuit, Lies voelde haar wangen gaan gloeien…
Een tijd later voelde Lies een por in haar zij. ‘Wakker worden Lies, we zijn bijna in Blokzijl.’ Slaperig keek Lies om zich heen. Mevrouw Regagneau keek begerig naar Lies’ pakket. Je hebt vast wel een stukje brood en kaas voor je nieuwe moeder zei ze. Haastig pakte Lies de gevraagde spullen.
‘Nee Lies, eerst jij wat eten, dan zij. Ze heeft al genoeg gehad.’ zei Rouweneel streng. Vlug at Lies een paar happen en gaf de rest aan de vrouw die alles razendsnel naar binnen werkte.
Ze stond op en liep naar buiten om even later weer terug te komen met meer brood en kaas. Die man van mij ligt doodleuk te slapen, die heeft dit niet nodig, zei ze en weer werkte ze alles razendsnel naar binnen.
Opeens zei Joachim, ‘Die mevrouw kan veel eten, he mama, ze heeft daarstraks ook al van papa brood gehad.’ En die mevrouw had koek bij zich en daar heeft ze er ook al heel veel van op. En ze heeft ook al het bier opgedronken’
‘Ja kind, kakelde mevrouw Regagneau, ik pak alles wat ik krijgen kan, ik heb altijd honger en dorst en je weet maar nooit wanneer je weer te eten of te drinken krijgt.’
‘Dus u eet liever alles zelf op dan dat meisje haar deel te gunnen?’
‘Ze wilde toch niet meer? Ze gaf het toch aan mij? Wat zit u nou te zeuren.’
Lies hoorde alles verbijsterd aan, ze had nog best veel honger maar ze had gedacht dat die vrouw te vroeg alles op had gegeten. Nu bleek dat ze al heel veel gegeten had! De moeder van Joachim fluisterde tegen Lies, ‘Ik zei het je toch, kijk uit voor de vrouw.’
Lies zag dat ook haar bier, dat ze op het tafeltje gezet had verdwenen was. Ze liep de kajuit uit, bang dat ze zou gaan huilen. Die vrouw had zo aardig geleken. Jan was ondertussen wakker geworden en zachtjes vertelde Lies aan hem wat er gebeurd was. Ze wist niet dat Hendrik alles hoorde.
Even later deed Hendrik alsof hij net wakker werd en riep: Nu heb ik de hele reis gemist, mensen wat heb ik een trek, ik ga gauw eens m’n brood eten. Hij deed alsof hij zocht en Lies kreeg het helemaal benauwd. ‘Er is geen brood meer’, zei ze, dat is, dat heeft… O. knikte Hendik, dat heeft Rie vast opgehaald, die heeft altijd honger. Nou ja, dan heb ik pech gehad’, deed Hendrik luchtig. Inwendig vervloekte hij zijn vrouw. ‘Ik heb wel ergere honger gehad hoor. Straks krijgen we vast wel weer wat.’
Lies haalde opgelucht adem, even was ze bang geweest dat Hendrik dacht dat zij zijn eten had gepikt.
Het bier was er nog wel en dat deelde hij met de kinderen.
Ze liepen langs de roef en zagen toen Jan en Hendrik in diepe slaap.
De vrouw snoof, ‘zeker van die armoezaaiers die naar de kolonie gaan.’
‘Ja, zei Lies, ze gaan naar de kolonie en ik ook. Ik kom bij Jan en die meneer te wonen. De vrouw die zo’n lawaai maakte hoort bij die meneer. Dat wordt mijn nieuwe moeder’
De vrouw deinste terug alsof Lies een besmettelijke ziekte had. Met een beschermend gebaar trok ze haar kind tegen zich aan. ‘Hoe kom jij dan aan die kleren? En wie is die man die bij je is dan?”
‘Die meneer brengt ons weg, ik en Jan komen uit een weeshuis in Den Haag en hij, ze wees naar Hendrik, komt samen met die vrouw die zoveel grapjes maakt uit Amsterdam. Ik heb ze vandaag ook pas voor het eerst gezien. Die kleren heb ik gekregen voor de reis.’
‘Arm kind, kom je bij die vrouw? Dat belooft weinig goeds.’
‘Nou ze was heel aardig tegen ons’ vertelde Lies. misschien is ze ook wel zenuwachtig, ik ga ook altijd heel veel praten als ik zenuwachtig ben.’
‘Dat denk ik niet, ik ken dat slag mensen, beloof me dat je uitkijkt voor haar.’
Lies knikte maar wat. Ze geloofde de vrouw niet zo.
Het kind was ondertussen naar Jan en Hendrik gelopen en trok aan de deken maar beiden gaven ze geen krimp. Nu trok hij harder en rende toen snel weer naar zijn moeder.
‘Laat dat Joachim, laat ze lekker slapen, jij vindt het toch ook niet leuk als iemand jouw dekens wegtrekt.’
‘Ik weet wel een leuk spelletje’ zei Lies. Ze hurkte bij het jongetje ‘Kom eens, jij moet eens raden wat ik zie. Het is heel groot en bruin.’ Het jongetje dacht diep na en begon te lachen. ‘Dat’, hij wees naar het zeil. ‘Goed zo’ en nu moet ik iets raden. Het kind vermaakte zich kostelijk, de vrouw deed op het laatst ook mee totdat het te koud werd en ze weer naar binnen moesten.
De rook sneed hun bijna de adem af. Mevrouw Regagneau was kennelijk ook moe geworden en zat te slapen op de bank met haar voeten op een stoof. Hoestend liep Lies naar Rouweneel die daarop het luik openschoof. Onmiddellijk ging er een gemopper op, het tochtte en het was veel te koud.
‘Even een beetje de rook eruit en dan zet ik hem op een kier. De kinderen stikken hier bijna.’
Het was lekker warm in de kajuit, Lies voelde haar wangen gaan gloeien…
Een tijd later voelde Lies een por in haar zij. ‘Wakker worden Lies, we zijn bijna in Blokzijl.’ Slaperig keek Lies om zich heen. Mevrouw Regagneau keek begerig naar Lies’ pakket. Je hebt vast wel een stukje brood en kaas voor je nieuwe moeder zei ze. Haastig pakte Lies de gevraagde spullen.
‘Nee Lies, eerst jij wat eten, dan zij. Ze heeft al genoeg gehad.’ zei Rouweneel streng. Vlug at Lies een paar happen en gaf de rest aan de vrouw die alles razendsnel naar binnen werkte.
Ze stond op en liep naar buiten om even later weer terug te komen met meer brood en kaas. Die man van mij ligt doodleuk te slapen, die heeft dit niet nodig, zei ze en weer werkte ze alles razendsnel naar binnen.
Opeens zei Joachim, ‘Die mevrouw kan veel eten, he mama, ze heeft daarstraks ook al van papa brood gehad.’ En die mevrouw had koek bij zich en daar heeft ze er ook al heel veel van op. En ze heeft ook al het bier opgedronken’
‘Ja kind, kakelde mevrouw Regagneau, ik pak alles wat ik krijgen kan, ik heb altijd honger en dorst en je weet maar nooit wanneer je weer te eten of te drinken krijgt.’
‘Dus u eet liever alles zelf op dan dat meisje haar deel te gunnen?’
‘Ze wilde toch niet meer? Ze gaf het toch aan mij? Wat zit u nou te zeuren.’
Lies hoorde alles verbijsterd aan, ze had nog best veel honger maar ze had gedacht dat die vrouw te vroeg alles op had gegeten. Nu bleek dat ze al heel veel gegeten had! De moeder van Joachim fluisterde tegen Lies, ‘Ik zei het je toch, kijk uit voor de vrouw.’
Lies zag dat ook haar bier, dat ze op het tafeltje gezet had verdwenen was. Ze liep de kajuit uit, bang dat ze zou gaan huilen. Die vrouw had zo aardig geleken. Jan was ondertussen wakker geworden en zachtjes vertelde Lies aan hem wat er gebeurd was. Ze wist niet dat Hendrik alles hoorde.
Even later deed Hendrik alsof hij net wakker werd en riep: Nu heb ik de hele reis gemist, mensen wat heb ik een trek, ik ga gauw eens m’n brood eten. Hij deed alsof hij zocht en Lies kreeg het helemaal benauwd. ‘Er is geen brood meer’, zei ze, dat is, dat heeft… O. knikte Hendik, dat heeft Rie vast opgehaald, die heeft altijd honger. Nou ja, dan heb ik pech gehad’, deed Hendrik luchtig. Inwendig vervloekte hij zijn vrouw. ‘Ik heb wel ergere honger gehad hoor. Straks krijgen we vast wel weer wat.’
Lies haalde opgelucht adem, even was ze bang geweest dat Hendrik dacht dat zij zijn eten had gepikt.
Het bier was er nog wel en dat deelde hij met de kinderen.
8 Naar Blokzijl
(Er komt nog een reisbeschrijving van Den Haag naar Amsterdam)
Vermoeid en met koude, stijve benen stapten ze gedrieën van boord. Het was druk in de haven. Mensen liepen af en aan. Onder de indruk van deze bedrijvigheid stonden de kinderen stilletjes te kijken. Rouweneel leidde ze naar een langgerekt rijtuig die nog net drie plaatsen vrij had.
Na een korte rit stopten ze bij een groot gebouw. Dit is kazerne de Utrechtsepoort vertelde Rouweneel. Als het goed is zijn je toekomstige kolonieouders hier ook samen met mijn grote vriend Petrus Assenhoff. Ik heb met hen afgesproken voor de ingang. Ah daar zie ik Petrus al. Kom mee.
Met grote passen liep Rouweneel op drie mensen af. De langste man was goed gekleed en dik. De man en vrouw naast hem deden de kinderen schrikken. Wat waren ze mager. De man had ingevallen wangen en ademde zwaar. De vrouw keek hen nieuwsgierig aan. Ze spreidde haar armen en riep, daar zijn ze, de lieverdjes, kom hier. Ze sloeg haar armen om Jan heen en kustte hem op beide wangen. Jan bleef stijf als een plank staan. Hij voelde onmiddellijk de onechtheid van deze vrouw. Lies daarentegen voelde zich warm en blij bij deze hartelijke ontmoeting. Ze lachte de vrouw vriendelijk toe en knikte naar de man naast haar. De man lachte, knikte ze toe en aaide beiden even over het hoofd. ‘Zo zijn jullie daar eindelijk. Vanaf nu moeten we het met elkaar zien te redden. Wat zien jullie er mooi uit. Je bent maar een deftige dame zei hij tegen Lies. En jij een stevige knaap, jouw hulp zal ik goed kunnen gebruiken jongen. Ik ben blij dat jullie bij ons komen wonen.’
Deze eenvoudige hartelijkheid stond in schril contrast met de overdreven theatrale gebaren van Rie.
Zij dacht in zichzelf alleen aan de extra hulp die ze met deze twee kinderen kreeg. Ze zagen er mager maar gezond uit. De jongen leek haar sterk toe. Zij en Henk zouden niet veel hoeven doen.
Daarna gingen ze allen de kazerne binnen om hun aanwezigheid te melden en hun proviant in ontvangst te nemen. Ieder kreeg een half brood, een half pond kaas en een ,,, bier (Toentertijd dronk iedereen bier omdat het water te vies was). Dat moest voldoende zijn voor de overtocht. Hongerig keken ze alle vier naar het eten. Vooral Rie en Hendrik waren het liefst gelijk begonnen aan het eten. Maar ze moesten eerst tekenen voor ontvangst. De kinderen schreven houterig hun naam, Rie zette een kruisje en Hendrik ondertekende zelfs met enige zwier. Er bleken meerdere mensen naar Frederiksoord te gaan zagen ze.
Daarna wees Rouweneel naar een beurtschip Hij vertelde dat het schip Johannes van den Bosch, heette, naar de oprichter van Frederiksoord, Daarmee zouden ze reizen naar Blokzijl. In Blokzijl zouden ze overnachten en de volgende dag verder reizen naar Frederiksoord.
Rie popelde om haar nieuwe woning te zien en vertelde de kinderen hoe mooi het daar zou zijn.
Rouweneel trok zijn wenkbrauwen op en keek Assenhoff vragend aan. ‘Dat heeft ze zich in haar hoofd gezet, fluisterde hij, en ik krijg het er niet meer uit. Ik houd m’n hart vast voor het moment dat de werkelijkheid tot haar doordringt. Overigens, kan jij bij Van den Bosch een goed woordje doen voor Hendrik. Het is een fijn mens maar achtervolgt door ellende, de man is gebroken, probeer of hij een beetje ontzien kan worden. Hij heeft veel goede eigenschappen en is denkelijk heel wat waard voor de kolonie.’ Rouweneel beloofde dat hij dat zou proberen ‘maar’ vroeg hij aan Assenhoff ‘zou Johannes wel luisteren.’ Die man is zo’n wervelwind, hij had nooit er tijd voor en was altijd wel met iets bezig.’
‘Zijn broer Benjamin is rustiger, bij hem zal je wel een luisterend oor vinden. Voor zover ik begrepen heb zal hij Frederiksoord leiden. Aan hem zullen de mensen een goede hebben. Hij is een rechtvaardig mens.’
Nadat alles geregeld was gingen iedereen aan boord. Het schip lag diep in het water, volgeladen als het was met vracht en passagiers. Hendrik had een warme deken gekregen zodat hij buiten kon gaan zitten. Hij zou het veel te benauwd krijgen in de kajuit. Hij nam plaats op het dek. Jan ging gelijk naast hem zitten en dat kleine toeschietelijke gebaar ontroerde Hendrik hevig.
Lies ging met de vrouw en Rouweneel mee, zij wilde wel weten hoe de mensen waren die ook bij hun in de kolonie kwamen wonen. Ze waren herkenbaar aan het pakket eten wat ze meegekregen hadden. Toen ze eenmaal de haven uit waren werden de grote zeilen gehesen en met een flinke snelheid schoot het schip over het water.
Jan en Hendrik zaten stil voor zich uit te kijken, onwennig nog aan elkaars gezelschap zeiden ze soms enkele woorden tot elkaar, soms wees Hendrik alleen maar en dan knikte Jan om te bevestigen dat hij het gezien had. Maar onmiddellijk was er een band. Ze herkenden elkaar in hun manier van doen. Beiden afstandelijk, afwachtend, zich niet snel bloot gevend, getekend als ze waren door alle ellendige gebeurtenissen die ze hadden doorstaan. Hendrik voelde zich gelukkig op dat moment. Met deze jongen zou het wel lukken.
Jan dacht aan de vrouw en hoopte dat zijn eerste indruk verkeerd was. Er was iets in haar ogen wat hem niet aanstond.
Het werd kil zo buiten op het open water. Jan rilde licht. Uitnodigend sloeg Hendrik de deken open. Kom er maar bij jongen, je moet niet ziek worden. Stijfjes kroop Jan naast Hendrik, zorgvuldig zoveel mogelijk afstand bewarend. Even later waren beiden in slaap gevallen.
Vermoeid en met koude, stijve benen stapten ze gedrieën van boord. Het was druk in de haven. Mensen liepen af en aan. Onder de indruk van deze bedrijvigheid stonden de kinderen stilletjes te kijken. Rouweneel leidde ze naar een langgerekt rijtuig die nog net drie plaatsen vrij had.
Na een korte rit stopten ze bij een groot gebouw. Dit is kazerne de Utrechtsepoort vertelde Rouweneel. Als het goed is zijn je toekomstige kolonieouders hier ook samen met mijn grote vriend Petrus Assenhoff. Ik heb met hen afgesproken voor de ingang. Ah daar zie ik Petrus al. Kom mee.
Met grote passen liep Rouweneel op drie mensen af. De langste man was goed gekleed en dik. De man en vrouw naast hem deden de kinderen schrikken. Wat waren ze mager. De man had ingevallen wangen en ademde zwaar. De vrouw keek hen nieuwsgierig aan. Ze spreidde haar armen en riep, daar zijn ze, de lieverdjes, kom hier. Ze sloeg haar armen om Jan heen en kustte hem op beide wangen. Jan bleef stijf als een plank staan. Hij voelde onmiddellijk de onechtheid van deze vrouw. Lies daarentegen voelde zich warm en blij bij deze hartelijke ontmoeting. Ze lachte de vrouw vriendelijk toe en knikte naar de man naast haar. De man lachte, knikte ze toe en aaide beiden even over het hoofd. ‘Zo zijn jullie daar eindelijk. Vanaf nu moeten we het met elkaar zien te redden. Wat zien jullie er mooi uit. Je bent maar een deftige dame zei hij tegen Lies. En jij een stevige knaap, jouw hulp zal ik goed kunnen gebruiken jongen. Ik ben blij dat jullie bij ons komen wonen.’
Deze eenvoudige hartelijkheid stond in schril contrast met de overdreven theatrale gebaren van Rie.
Zij dacht in zichzelf alleen aan de extra hulp die ze met deze twee kinderen kreeg. Ze zagen er mager maar gezond uit. De jongen leek haar sterk toe. Zij en Henk zouden niet veel hoeven doen.
Daarna gingen ze allen de kazerne binnen om hun aanwezigheid te melden en hun proviant in ontvangst te nemen. Ieder kreeg een half brood, een half pond kaas en een ,,, bier (Toentertijd dronk iedereen bier omdat het water te vies was). Dat moest voldoende zijn voor de overtocht. Hongerig keken ze alle vier naar het eten. Vooral Rie en Hendrik waren het liefst gelijk begonnen aan het eten. Maar ze moesten eerst tekenen voor ontvangst. De kinderen schreven houterig hun naam, Rie zette een kruisje en Hendrik ondertekende zelfs met enige zwier. Er bleken meerdere mensen naar Frederiksoord te gaan zagen ze.
Daarna wees Rouweneel naar een beurtschip Hij vertelde dat het schip Johannes van den Bosch, heette, naar de oprichter van Frederiksoord, Daarmee zouden ze reizen naar Blokzijl. In Blokzijl zouden ze overnachten en de volgende dag verder reizen naar Frederiksoord.
Rie popelde om haar nieuwe woning te zien en vertelde de kinderen hoe mooi het daar zou zijn.
Rouweneel trok zijn wenkbrauwen op en keek Assenhoff vragend aan. ‘Dat heeft ze zich in haar hoofd gezet, fluisterde hij, en ik krijg het er niet meer uit. Ik houd m’n hart vast voor het moment dat de werkelijkheid tot haar doordringt. Overigens, kan jij bij Van den Bosch een goed woordje doen voor Hendrik. Het is een fijn mens maar achtervolgt door ellende, de man is gebroken, probeer of hij een beetje ontzien kan worden. Hij heeft veel goede eigenschappen en is denkelijk heel wat waard voor de kolonie.’ Rouweneel beloofde dat hij dat zou proberen ‘maar’ vroeg hij aan Assenhoff ‘zou Johannes wel luisteren.’ Die man is zo’n wervelwind, hij had nooit er tijd voor en was altijd wel met iets bezig.’
‘Zijn broer Benjamin is rustiger, bij hem zal je wel een luisterend oor vinden. Voor zover ik begrepen heb zal hij Frederiksoord leiden. Aan hem zullen de mensen een goede hebben. Hij is een rechtvaardig mens.’
Nadat alles geregeld was gingen iedereen aan boord. Het schip lag diep in het water, volgeladen als het was met vracht en passagiers. Hendrik had een warme deken gekregen zodat hij buiten kon gaan zitten. Hij zou het veel te benauwd krijgen in de kajuit. Hij nam plaats op het dek. Jan ging gelijk naast hem zitten en dat kleine toeschietelijke gebaar ontroerde Hendrik hevig.
Lies ging met de vrouw en Rouweneel mee, zij wilde wel weten hoe de mensen waren die ook bij hun in de kolonie kwamen wonen. Ze waren herkenbaar aan het pakket eten wat ze meegekregen hadden. Toen ze eenmaal de haven uit waren werden de grote zeilen gehesen en met een flinke snelheid schoot het schip over het water.
Jan en Hendrik zaten stil voor zich uit te kijken, onwennig nog aan elkaars gezelschap zeiden ze soms enkele woorden tot elkaar, soms wees Hendrik alleen maar en dan knikte Jan om te bevestigen dat hij het gezien had. Maar onmiddellijk was er een band. Ze herkenden elkaar in hun manier van doen. Beiden afstandelijk, afwachtend, zich niet snel bloot gevend, getekend als ze waren door alle ellendige gebeurtenissen die ze hadden doorstaan. Hendrik voelde zich gelukkig op dat moment. Met deze jongen zou het wel lukken.
Jan dacht aan de vrouw en hoopte dat zijn eerste indruk verkeerd was. Er was iets in haar ogen wat hem niet aanstond.
Het werd kil zo buiten op het open water. Jan rilde licht. Uitnodigend sloeg Hendrik de deken open. Kom er maar bij jongen, je moet niet ziek worden. Stijfjes kroop Jan naast Hendrik, zorgvuldig zoveel mogelijk afstand bewarend. Even later waren beiden in slaap gevallen.
maandag 10 november 2008
7 Lies en Jan
Lies en Jan 1 november 1818
In alle vroegte kwam het rijtuig voorrijden. Lies stond al klaar in de hal. Krakeel pakte haar stevig vast en schudde haar heen en weer. ‘Gedraag je daar! Zorg dat ze niets over je te klagen hebben', siste ze Lies venijnig toe. Hier hoef je nooit meer terug te komen, je bent nu zestien en over twee jaar had je toch weg gemoeten. Knoop het in je oren, je ben in dit huis niet meer welkom, nooit meer! Hoe minder monden te voeden in deze ellendige tijd hoe beter.’
Lies voelde de grond onder zich wegzinken, ergens in haar achterhoofd had ze nog steeds het plan gehad meneer Rouweneel te vragen of ze mee terug mocht als ze het verschrikkelijk vond in Frederiksoord. Deze hoop was nu door de woorden van Krakeel in rook opgegaan .
Ze werd naar buiten geduwd en achter haar sloeg de deur voorgoed dicht.
Met een brok in haar keel liep ze naar de koets.
Opeens voelde ze twee armen om haar heen en twee lippen gaven haar een harde zoen op haar wang.
‘Jeltje! Hoe kom jij hier?’
'Ik ben niet naar de pastorie gegaan vanmorgen maar heb gewacht op jou. Hier…' ze duwde Lies een pakje in haar handen, ‘voor jou! Maar nu moet ik echt weg, ik krijg toch al op m’n donder denk ik. Dag Lies, hopelijk zien we elkaar later weer. Ik ga proberen of ik ook naar Frederiksoord mag komen.’ Na nog een kus holde Jeltje weg.
Laat Krakeel het niet zien bad Lies in zichzelf. Rennen op straat was streng verboden, zelfs de kleintjes moesten altijd rustig in de rij lopen.
De deur van de koets zwaaide open. ‘Kom Lies, we moeten gaan.’ riep Rouweneel. ‘Anders komen we te laat en de schuit wacht niet, hij vertrekt met of zonder ons.’
Snel stapte Lies in, onmiddellijk vertrokken ze om tien minuten later te stoppen. Ze waren er al.
‘Nou dat stukje had ik ook wel kunnen lopen’ mompelde Lies.
‘Ja dat had gekund’ antwoordde Rouweneel, maar dan hadden jouw en mijn kleren onder de prut gezeten. Na al die regen is het een modderboel. Hier aan de kade liggen gelukkig klinkers.’
Rouweneel was verrast geweest toen hij Lies in de koets had zien stappen. Door de kleding was het een heel ander meisje geworden. Hij zag nu een mooie jonge vrouw. Doordat ze niet gewend was aan een jas en de soepele stof van haar reiskleding bewoog ze zich voorzichtig, alsof ze bang was dat haar jurk kapot zou gaan door te heftige gebaren. Ze had daardoor een verfijnde elegantie gekregen.
Nadat ze uit de koets gestapt waren keek Lies rond en alles wat ze zag vulde haar met verwondering. Op de kade stonden allemaal paarden en mensen in net zulke reiskleding als zij, kinderen renden rond. Grote tonnen en pakketten werden op de schepen gezet. Verderop stond een groep mannen te praten. De schepen had ze wel eens door de gracht voor het weeshuis zien varen, maar ze wist niet dat er zoveel schepen bestonden en zag nu dat ze allemaal verschillend waren.
Kijk, wees Rouweneel, op dat schip moeten we zijn. Ze zag een lange, lage platte boot met in het midden een opbouw met kleine raampjes. De punt van het schip wees sierlijk omhoog.
‘En nu is het wachten op Jan, hopelijk is hij op tijd.’ Zoekend keken Lies en Rouweneel de kade over.
Jan
Na het grote nieuws dat hij zou vertrekken kon niets Jans’ humeur meer kapot krijgen.
Hij had het aan niemand verteld. Hij had al vroeg geleerd zijn eigen weg te gaan. Iedereen noemde hem ‘de stille’ omdat hij alleen het hoognodige zei. Een enkele keer vertelde hij wel eens wat hij die dag had beleefd maar voor de rest kwam er meestal alleen een ja of nee uit zijn mond. Dit tot grote ergernis van de paters. Ze kregen maar geen greep op hem.
De jongens in het weeshuis trokken sowieso weinig met elkaar op, na de lange dagen van hard werken rolden ze meestal na het eten het bed in om in alle vroegte weer aan de slag te gaan.
Jan had nog de taak de jongere kinderen in bed te krijgen wat nog een lastige klus was. Om 7 uur moesten ze er in liggen. Een van de paters kwam dat steevast controleren. De kinderen lagen vaak dwars, ze hadden geen zin om de bedompte zaal in te gaan. Jan wist wat voor verschrikkelijke hekel hij zelf aan die zaal had gehad en begreep het wel. Het stonk er en vooral ’s winters kon je er nauwelijks ademhalen. Maar als de kinderen er niet op tijd in lagen dan kreeg hij het te verduren. Dan gaven de paters hem een extra taak zodat hij pas heel laat kon gaan slapen.
Maar ook dat kon hem nu niets meer schelen. Hij ging toch weg.
De avond voor zijn vertrek kreeg hij een stel kleren in zijn handen gedouwd. ‘Voor de reis.’ Zei de pater die het hem gaf. Dat was het enige wat hij te horen kreeg.
Die nacht kon hij nauwelijks slapen van opwinding. Hij dacht aan de woorden van meneer Drevel.
Hij had geen idee waar Frederiksoord was maar dat maakte hem niets uit. Wel was hij benieuwd hoe het daar zou zijn. Zou hij het echt beter krijgen daar? Hij zou goed leren lezen en schrijven maar wat betekende werken op het land? Hij had al van alles moeten doen maar dit nog niet. Zouden ze echt elke dag te eten krijgen en zou niemand hem meer afblaffen? Het lukte hem nauwelijks om in slaap te vallen. Elke keer schrok hij na korte tijd wakker en waren zijn gedachten gelijk weer bij de reis en de kolonie.
De volgende dag nam niemand afscheid van hem. Met zijn bundeltje oude kleren vertrok hij naar de Veerkade. Niemand zou hem ooit in het weeshuis terug zien. Daar zou hij wel voor zorgen.
Onderweg vermeed hij zoveel mogelijk de modder op de straten, het had de laatste dagen veel geregend en door de vele passerende rijtuigen was de hele weg veranderd in een modderige brij.
Midden op de weg was een koets vastgelopen. De paarden trapten en briesten wild. De koetsier had grote moeite ze in bedwang te houden. Vlug dook Jan een steeg in, hij wist dat hij anders geroepen zou worden om te komen helpen. In de verte hoorde hij de klepper, hij moest opschieten anders kwam hij nog te laat. Hij zette het op een rennen en was al snel op de Veerkade. Nu nog die Elizabeth en meneer Rouweneel zien te vinden. De paters hadden hem de plek verteld waar ze op hem zouden wachten. Hij had niet verwacht dat het zo druk zou zijn. De klepperman had een groepje mensen om zich heen staan die allemaal met het schip mee wilden.
Jan wrong zich door de groep mensen heen. Ze hadden afgesproken voor herberg De oude poort. Inderdaad zag Jan daar een man en een meisje staan. Hij bleef even staan om ze in zich op te nemen. Het meisje keek zijn kant op maar haar ogen gleden zoekend verder. Ze denkt zeker dat ze naar een klein jongetje moet uitkijken dacht Jan. Ze had wel een leuk gezicht. De man naast haar keek hem nu onderzoekend aan. Ineens werd Jan zenuwachtig, het begon nu echt spannend te worden. Hij haalde eens diep adem en stapte op de twee af. Toen hij vlakbij was vroeg de man of hij Jan was, waarop hij kort knikte. Met de woorden ‘Dit is Lies, en ik ben Rouweneel’ stelde hij hun voor. ‘Ik ben dus Jan.’
Even viel het stil. Lies bekeek Jan en ze zag een stevige lange jongen, met heel blauwe ogen en blond vlassig haar, heel anders dan de kleine magere jongen die ze zich voorgesteld had.
Ook Jan was verrast. Hij had de weeshuismeisjes zondags wel naar de kerk zien lopen en had een meisje verwacht in weeshuiskleren, niet een meisje in mooie kleren.
‘Heb jij ook nieuwe kleren gehad? Vroeg ze. Naar zijn broek en jasje kijkend. ‘Ik wel, en het voelt heel raar.’ Daarmee was het ijs gebroken.
Rouwevoet lachte en bekeek beiden eens goed. ‘Jullie zouden wel broer en zus kunnen zijn, jullie hebben dezelfde blauwe ogen.’ Verrast keken de kinderen elkaar aan en begonnen ook te lachen.
‘Nou, giechelde Lies, hij wordt wel m’n broer en wie weet is het ook mijn echte broer.’ Ze fantaseerde gelijk erbij dat hij door dezelfde moeder te vondeling was gelegd. Maar Rouweneel rekende snel en moest haar teleurstellen. Dat was echt onmogelijk. Zo snel achter elkaar konden vrouwen geen kinderen krijgen. Teleurgesteld zuchtte Lies. He jammer, had ik bijna een echte broer gehad, maar nu heb ik toch een beetje een echte broer en dat vind ik ook wel leuk.’
Rouweneel zag Jans verlegenheid na haar woorden: ‘Kom we gaan aan boord, de boot al nu wel snel vertrekken'en duwde de kinderen voor zich uit richting het schip.
Ze stapten de trekschuit op en liepen naar het lage deurtje. Het was lastig om met gebogen hoofd onder de deurpost door te komen omdat daarachter een klein trapje naar beneden voerde. Lies moest haar rokken vasthouden om er niet op te trappen. Gelukkig bood Rouweneel haar zijn hand zodat ze daar steun aan had.
Als ze de roef binnengestapt is kijkt Lies haar ogen uit. Aan twee kanten zijn lange banken en daar zitten allerlei soorten mensen. Aan het eind van de linkerbank zit een dikke man met een donker broek en grijsblauwe jas die open staat. Hij heeft zijn benen uitgestrekt voor zich uit en op zijn ronde blozende hoofd staat wiebelig een hoge hoed. De man slaapt en maakt daarbij zo’n enorm lawaai dat praten bijna niet mogelijk is. Naast de man zit een broodmagere vrouw in het zwart. Ze tuurt in een boek en herhaaldelijk maakt ze lichte snuifgeluidjes en schud haar hoofd. Op het kleine tafeltje voor haar ligt nog een boek.
Tegenover de man en de vrouw zit een kleine jongen die gefascineerd kijkt naar de hoed van de man. Bij elke ademhaling gaat de hoed een klein stukje naar voren om daarna weer terug te vallen.
Naast het kind zitten een jonge man en vrouw. De man zit schuin op de bank met de stapel papieren die hij in zijn hand heeft naar het kleine raampje gericht. De vrouw in een mooie lichtblauwe japon met een muts in dezelfde kleur houdt het kind in de gaten.
Rouweneel zegt de mensen gedag en prikt het jongetje in zijn wang. Het kind schrikt op, loopt naar de jonge vrouw en duwt zijn hoofd in haar schoot. Daarna gluurt hij telkens naar Rouweneel en Jan en Lies. Deze laatste twee staan beetje onwennig te kijken en weten niet goed wat ze moeten doen totdat Rouweneel aangeeft dat ze kunnen gaan zitten. Jan ploft in de hoek aan het andere uiteinde van de bank en Lies gaat verlegen naast hem zitten. Rouweneel neemt plaats tegenover de twee kinderen. Stilzwijgend staren ze een beetje voor zich uit. Langzamerhand druppelen er meer mensen binnen. - De klepperman had zijn klepper al laten horen.- Al snel zijn alle plaatsen bezet en moet Lies opschuiven, tegen Jan aan. Prettig vindt ze dat niet. Jan zegt niet veel, het lijkt wel of hij kwaad is, denkt ze. Als ze richting Rouweneel kijkt geeft hij haar een knipoog. Een blos schiet over haar wangen. Het liefst zou ze de boot af gaan en heel hard terug rennen naar Jeltje.
Een man kwam binnenlopen en plaatste warme stoven voor de dames hun voeten waarna de aanweige heren een muntstuk in zijn handen duwden. Wil jij ook een stoof, vroeg Rouweneel? ‘Nee, dankuwel’ fluisterde Lies verlegen terug.
Naast haar stak een man een pijp op nadat hij beleefd gevraagd had of de dames het goed vonden. Alsof de overige aanwezige mannen gewacht hadden op dit signaal stak de een na de ander een pijp of sigaar op.
Binnen de kortste tijd stond de kajuit vol met rook. Lies voelde het in haar keel kriebelen en hoestte een beetje. Ze hoorde een bel klingelen en kort daarna viel ze bijna van de bank. Met een schok was het schip in beweging gezet.
Ze grijnslacht zenuwachtig naar de pijproker. Steeds vaker kriebelt haar keel van de rook en ze is blij als Jan vraagt of ze mee naar buiten gaat. Op het dak van de roef zitten enkele mannen die Lies goedkeurend bekijken. Een man licht zelfs zijn hoed op en knikt haar gedag. Verlegen klikt Lies terug. Ze had liever gehad dat er niemand was, ze heeft zoveel gezien en gehoord, ze wil graag alleen zijn.
Jan pakt haar bij haar mouw, ‘Kom zegt hij, we gaan daar zitten.’ Hij wijst naar de punt van het schip waar twee houten vaten naast elkaar staan. Met hun zijkant naar de mannen staren ze een tijdje stilzwijgend naar het water en de oever. Het enige wat ze horen zijn de stemmen en verder weg de hoeven van het paard dat het schip trekt. Lies zucht eens, plotseling is ze bang. Het is allemaal zo vreemd. Ze heeft nooit iets anders gezien dan de straten naar de kerk en nu zit ze hier op een schip, op weg naar Amsterdam. Op weg naar vreemde mensen waar ze bij moet wonen.
‘Ben jij niet bang?’ vraagt ze aan Jan.
‘Nee, waarvoor? Slechter dan ik het had kan ik het niet krijgen.’
‘Ik ben wel bang’, zodirect zijn het hele nare mensen en daar moeten we dan bij wonen. En meneer Rouweneel vertelde dat ik moet leren spinnen en daarmee verdien ik dan geld en zodirect kan ik het niet. En wat dan? Gaan ze me dan ook slaan? Zouden zij mij ook brutaal vinden omdat ik zoveel vraag? En ik moet leren lezen en schrijven, dat kan ik wel een beetje maar niet goed. Zodirect lukte het me niet, en waarvoor moet ik dat leren? Wat heb ik daar nou aan?
‘Alles wat je leert is misschien handig voor later.’ Zei Jan. ‘Je weet maar nooit waar het goed voor is. Wie weet kom je later wel bij een blinde mevrouw te werken en als ze merkt dat jij kan lezen en schrijven dan mag jij misschien brieven voor haar schrijven of voorlezen uit een boek.’
Lies schaterde het uit. ‘Die mevrouw zoekt wel iemand anders uit dan ik. Ik ben een dienstmeid hoor geen deftige dame. Jan hield stug vol. ‘Je weet maar nooit.’
Even later wees Lies naar een beest in de wei. Wat is dat? Jan keek haar ongelovig aan. ‘Weet je dat niet?’
‘Nee hoe moet ik dat nou weten.’snauwde Lies. Ik ben nog nooit weggeweest. Ik mocht alleen op zondag naar buiten, naar de kerk. Of weet je zelf ook niet wat het is?'
‘Dat is een schaap,‘ bromde Jan, dat grijze is hun vacht en dat scheren ze in de lente af en dan spinnen ze daar wol van. En daar maken ze weer kleren van,' vertelde Jan, toch wel een tikje trots dat hij dat wel wist.
Lies begon te lachen. Echt waar? Hoe kan dat nou? Dat is toch vies? En hoe kunnen ze dáárvan nou kleren maken. Jan, die overal had moeten werken vertelde dat de wol inderdaad heel vies was als het binnenkwam maar dan werd het gewassen en vaak werd het dan heel mooi wit. De vrouwen in de spinnerijen namen dan een klein puntje van de baal wol en sponnen er draden van. Je kon de wol in allerlei kleuren verven maar het meestal kleurden ze het zwart omdat daar veel naar gevraagd werd. Andere vrouwen breiden van de wol truien of er werden doeken van geweven. Dat zou ze straks in de kolonie wel allemaal te zien krijgen.
Even later vroeg Lies wat dat voor beest was. Werden daar ook truien van gemaakt? Jan geloofde haar nu echt niet. Heb jij nog nooit een koe gezien?
Lies kleurde en voelde zich heel dom. ‘Nee’ zei ze zachtjes ik ken alleen honden, paarden, katten, muizen en ratten. Maar maken ze van een koe ook truien?' Jan legde haar uit dat ze van de koe haar vel gebruikten en dat die dingen die je onder haar buik zag hangen uiers waren. Daar kwam melk uit. Ze kende toch wel melk? Ja, knikte Lies, 'maar komt dat daar vandaan?' Ze vond het maar een raar idee dat ze dat gedronken had. Jan vertelde verder dat van de huid van de koe schoenen werden gemaakt en zittingen van stoelen en nog veel meer. Lies vroeg hem honderduit en Jan vertelde haar geduldig hoe het hele proces verliep. Hij vertelde er niet bij dat hijzelf alleen de huiden had moeten schoonmaken en hoe smerig dat was.
Dus ik loop op een koeienvel? vroeg Lies. Ja, eigenlijk wel beaamde Jan.
Even later schrokken ze op, het luik van de roef werd opengedaan en er kwam een grote hoeveelheid rook naar buiten. Even dacht Lies dat er brand was maar toen ze een sigarenlucht rook begreep ze dat al die rook van de pijpen en sigaren kwam.
'Dat Rouweneel niet stikt in die lucht' bromde Jan. 'Ik zit liever hier, dan zie je tenminste ook nog wat.'
Het paard stapte rustig verder. De mannen die op het dak hadden gezeten waren naar binnen gegaan en eindelijk was het rustig buiten. Het was een mooie novembermorgen, de zon scheen en dankzij de hoge boeg zaten ze uit de wind. Onderweg zagen ze allemaal kleine dorpjes en soms zwaaide iemand naar hen. Lies ontspande en genoot, ze zou wel altijd op de boot willen zitten.
6 Hendrik
Na een lange avond en nacht waarbij Sijmen en Hendrik om beurten de wacht hadden gehouden brak de ochtend aan. Beide mannen zagen grauw van vermoeidheid. Ze hadden het gevoel dat ze voor niets ongerust waren geweest. Rie had de hele nacht doorgeslapen. Pas toen Hendrik de deur opendeed om wat frisse lucht binnen te laten deed Rie haar ogen open. Ze kreunde en greep naar haar hoofd. Haar ogen waren rood en waterig. ‘Sijmen wat doe jij hier?’ vroeg ze verbaasd. Ze klom uit het bed en greep opnieuw naar haar hoofd. ‘Oh’ kreunde ze, ‘ik krijg in dit smerige huis altijd koppijn. Waarom heb ik niet bij pa en ma geslapen, daar was ik toch?’ Wat doe ik hier?
Sijmen stond op en ging vlak voor haar staan en keek haar met vlammende ogen aan. Hij prikte met zijn wijsvinger hard op haar borst waardoor ze weer op het bed viel.
‘Ik schaam me dood dat jij mijn zuster bent. Je moest je ogen uit je hoofd schamen. Ik zag je gisteravond stomdronken op straat liggen, in je eigen kots. Hendrik kreeg je nauwelijks naar huis.
Ik heb hem maar een handje geholpen. Jij bent die man niet waard. Hij werkt zich kapot en jij zit maar te zuipen, moet je zien hoe je eruit ziet. Greet heeft je doek en schort meegenomen om schoon te maken. Ze heeft Hendrik eten gegeven want jij was er weer eens niet. Wat ben jij eigenlijk voor vrouw? Eerst zat je te jeremiëren dat je een vent wilde en nu heb je er een, en een goeie ook, maar jij zwalkt maar over straat om maar aan je Schiedammertje te komen en je sleept pa en moe mee in je dwang naar drank. Moet je het hier eens zien het is een smerige bende, zelf aan je eigen huis doe je geen moer. En Henk maar werken voor mevrouw, en jij maar zeiken en zeuren. Godzijdank hoef ik je binnenkort niet meer te zien.
‘Nou, lekkere vent mijn Henk, sneerde Rie, na twee stappen denk je dat hij dood neervalt. Hij kan niets en wat heb hij aan al z’n geleerdheid uit die mooie boeken. Meneer kan schrijven en lezen en rekenen maar daarmee hebben we evengoed niets te vreten.
‘Als jij niet zo zoop, dan had je meer te vreten, lui kreng, je weet niet eens wat werken is. Henk moet zelfs z’n eigen kleren verstellen, daar ben je ook nog te beroerd voor. Sijmen spuugde voor haar voeten op de grond. Ben ik even blij dat ik niet met jou getrouwd ben!.
Rie sprong van het bed en wilde Sijmen een klap geven maar Sijmen was sneller en duwde haar opzij, ze klapte tegen de muur en begon te krijsen.
Hendrik sloeg haar midden in haar gezicht. Rie dit is de eerste keer dat ik je een optater geef maar je hebt hem al veel eerder verdient. En nu hou je je smoel, ga zitten en luister en waag het niet weer een grote bek op te zetten want dan sla ik weer en weer en weer tot je je grote ordinaire bek houdt. Zitten! Nu! Gebiedend wees hij naar de kruk.
Van verbazing hield Rie inderdaad haar mond, dit was voor het eerst dat Hendrik zo tegen haar tekeer ging. Hendrik vertelde haar dat ze die ochtend naar Assenhoff zouden gaan omdat ze eindelijk toestemming hadden gekregen om naar de kolonie te gaan. Hij vertelde haar alle informatie die hij gekregen had en als ze het waagde om bij Assenhoff haar grote scheur open te trekken en de boel te verpesten dan kon ze oprotten dan wilde hij haar nooit meer zien. Dit was haar laatste kans en die moest ze maar grijpen. Zo’n viswijf als zij wilde geen enkele kerel hebben. Het was dus alles of niets.
Sijmen pakte haar pols stevig beet en trok haar naar zich toe, zijn gezicht was vlak bij de hare. Vol walging rook hij de zure lucht uit haar mond. ‘Rie ik wil je dit even goed duidelijk maken… Als jij daar niet je fatsoen houdt dan ben je bij ons ook niet meer welkom. Geen gebedel om geld meer, geen gezanik om eten, geen gezeur meer. De deur blijft potdicht, hoe hard je ook schreeuwt, ik ben je meer dan zat, begrepen?
Rie knikte, haar hoofd bonkte en haar maag kneep samen, ze had honger en dorst. Ze stond op, duwde Sijmen opzij en liep naar buiten met een kroes, doopte die in de emmer met regenwater en dronk de beker gulzig leeg. Ze hijgde, kermde en kreunde.
‘Mijn eigen broer, mijn Sijmen, stuurt me weg. Moet ik naar zo’n Godverlaten oord, nooit meer pa en ma zien, nooit meer opoe, huilde ze. M’n man is gek geworden. Moet je hem nou zien staan die slemiel. Denkt dat ie land kan bewerken. Maar meneer gaat en ik heb maar mee te gaan. Wacht maar, je zal het weten! Dreigde ze. Jij ligt zo onder de zoden met dat sukkelige lijf van je en dan ben ik gelijk weer thuis. Maar in de tussentijd zal je spijt hebben dat je gegaan bent, dan kan je niet meer zeiken tegen m’n broer, daar zit je helemaal alleen met mij opgescheept, daar zal je blij mee zijn!
Henk snauwde ‘Er komen twee kinderen bij ons wonen. Een jongen en een meisje dus zo alleen ben ik daar niet. God verdult Rie, je hebt me nu al genoeg kapot gemaakt maar dit laat ik me niet door jou afnemen, begrepen! ‘
Rie lachte schamper, ‘welja, ook twee kinderen erbij, en wie mag dan het werk doen? Rie natuurlijk.
‘Alsof jij weet wat werken is, die kinderen zullen het jou moeten leren’, sneerde Sijmen. ‘Je kan net een brood snijden en daar hebben we het wel mee gehad. Je zal dat luie lijf van je daar in beweging moeten zetten liefie. Geen pappie en mammie meer in de buurt die alles wel goed vinden, het zal je goed doen, lui kreng.
Maar kom op Rie, we gaan je kleren halen, Hendrik ik heb nog wel een jas voor je, dit kan niet meer. Hij wees op het gat. Ik loop straks met jullie mee, dan kan m’n lieve zussie niets uitvreten onderweg.
Bij Sijmen en Greetje thuis nam Greet Rie goed onder handen. Ze waste haar haar en gezicht. Ze kamde net zo lang tot alle klitten er uit waren . Rie mopperde dat niemand haar haar zou zien onder de muts maar Greet liet zich niet van de wijs brengen. Stug ging ze door met Rie te fatsoeneren. Met een scherp stokje peuterde ze tussen de tanden van Rie om de etensresten weg te halen. Ze liet Rie goed met water spoelen in de hoop dat de stank uit haar mond zou verminderen. Daarna gaf ze haar het schone schort en haar eigen omslagdoek. De doek van Rie was nog niet droog ondanks dat het de hele nacht aan de lijn boven het smeulende vuur had gehangen. Ook kreeg ze van Rie een fatsoenlijke muts. Het was een heel andere vrouw die daar stond.
Met een diepe zucht ging Rie naar buiten tussen de twee mannen in. Sijmen hield haar stevig bij haar arm vast. Hij kende Rie door en door en wist welke streken ze kon uithalen. Hij waarschuwde haar keer op keer dat ze zich netjes moest gedragen bij Assenhoff.
Toen ze aankwamen bij het grote gebouw waar ook het kantoor van Assenhoff in gevestigd was bleef Sijmen staan en gaf Rie nog een laatste waarschuwing. Nu was het erop of eronder.
Ze werden aangediend en Rie vergaapte zich aan de luxe en het gebouw. Er lag een dik tapijt in de grote hal, de deuren hadden prachtige, bewerkte panelen en het was er zo stil. Je hoorde alleen de grote staande klok tikken. Heel wat anders dan het eeuwige lawaai in hun straat en kelder.
Assenhoff stond op toen ze binnenkwamen en begroette beide mensen vriendelijk en wees naar de stoelen waar ze plaats op konden nemen. Assenhoff was slim en behandelde Rie alsof ze de mooiste vrouw van de wereld was. Rie was wat dat betreft weinig gewend en liet zich intimideren. Hij vertelde hen wat hun te wachten stond en was zo enthousiast dat Rie er zelfs meer zin in kreeg. Assenhoff liet tekeningen zien van de woning en het stuk land dat ze zouden krijgen. Hij somde de huisraad op en dat was veel meer dan wat ze nu hadden. Bij het horen dat ze eventueel een koe kregen trok ze haar neus op. Moesten zij dan voor dat beest zorgen? Maar ook hier gaf Assenhoff een positieve draai aan en vertelde hoe heerlijk de melk was en wat ze allemaal met die melk kon doen, ze zou er kaas van kunnen maken. Het spinnen en weven noemde hij terloops. Hij wist dat het deze vrouw niet zou zinnen om dat werk te doen. Hij vertelde over de kinderen en bracht het zo dat het leek alsof zij veel werk uit handen zouden nemen. Rie zag zichzelf al lekker in een stoel zitten terwijl de kinderen het werk voor haar deden. Hendrik glimlachte, hij had door wat Assenhoff deed en was hem daar dankbaar voor. Met nadruk werd gesteld dat alcohol niet toegestaan was in Frederiksoord. 'Maar' zei hij opgewekt, 'daar heeft niemand met zo’n goed leven nog behoefte aan'. Zelfs Rie kon zich dat voorstellen. Daarna gaf hij hen de papieren mee die ze goed moesten doornemen alvorens die te ondertekenen. Binnen een week wilde hij de papieren terug hebben. Hij noemde de datum van vertrek en op welke tijd ze in de haven verwacht werden.
Rie was onder de indruk en liet geen tegengeluid horen. Hij gaf hen een adres van een kleermaker, ze konden op zijn kosten kleren laten maken voor de reis.
Op de terugweg praatte Rie honderduit, hoe goed ze het zou krijgen en dat ze mooie niéuwe kleren kreeg en dat ze daar amper wat hoefde te doen want de kinderen zouden alles voor haar doen…
Sijmen keek Hendrik eens aan en die knipoogde en haalde zijn schouders op. Hij was allang blij dat het gesprek goed verlopen was. Verder maakte hij zich weinig illusies wat Rie betrof. Gelukkig was daar geen drank te krijgen, daar zou hij geen last meer van ondervinden.
De verdere weken vertelde Rie aan iedereen die het horen wilde dat ze een mooi huis zou krijgen en pannen en dekens en een echt bed. Ze liep als een koningin door de straten en menigeen benijdde haar. Hendrik probeerde alles steeds opnieuw te relativeren en in de juiste proporties te plaatsen maar Rie wilde er niets van horen. Op het laatst leek het alsof ze in een kasteel ging wonen. Hendrik vertelde haar dat het huis één kamer had met een bedstee en een heel kleine, lage zolder. Dat de kinderen ook in die kamer moesten slapen en dat er wel gewerkt moest worden. Maar Rie wuifde zijn opmerkingen steeds weg. Maar het vooruitzicht had wel één voordeel, Rie gedroeg zich keurig, ze nam nog wel eens een Schiedammertje maar ze dronk er hooguit twee en daarna weigerde ze elk glaasje wat haar aangeboden werd. Hoe de mensen ook mopperden dat ze zo ongezellig deed en dat één glaasje toch niet uitmaakte, Rie weigerde pertinent. Zij wilde naar Frederiksoord, geen duizend paarden die haar daar weg konden houden.
Hendrik zag een glimp van de vrouw terug die hij gekozen had. Ze was weer opgewekt en huiselijk. ’s Avonds stond het eten klaar en ze verstelde hun oude goed. Hendrik begon zich weer te verheugen om thuis te komen. Eén maal vroeg ze hem zelfs of hij zijn vroegere leven niet vreselijk miste, hij was toch veel beter gewend. Ze vroeg het met zoveel mededogen dat Hendrik de tranen in zijn ogen voelde springen. Hij wuifde het luchtig weg en gaf als antwoord dat hij haar dan nooit ontmoet zou hebben. Het leek alsof de prettige beginjaren langzamerhand weer terug kwamen.
Greet en Sijmen leefden erg mee en hoopten dat het hen daar goed zou bevallen.
Toen de dag van vertrek aangekomen was stonden alle buren buiten om ze een goede reis te wensen en een mooi leven daar. Sijmen en Greet gingen mee naar de haven. Het deed Sijmen toch wel wat dat hij zijn zus waarschijnlijk nooit meer zou zien, maar dat kwam ook omdat ze de laatste weken erg vriendelijk en aardig was geweest.
Assemhoff had een koets geregeld, en gevieren stapten ze in onder de neerbuigende blikken van de koetsier. Het grote avontuur zou beginnen. Lies en Jan waren al twee dagen eerder vertrokken.
Sijmen stond op en ging vlak voor haar staan en keek haar met vlammende ogen aan. Hij prikte met zijn wijsvinger hard op haar borst waardoor ze weer op het bed viel.
‘Ik schaam me dood dat jij mijn zuster bent. Je moest je ogen uit je hoofd schamen. Ik zag je gisteravond stomdronken op straat liggen, in je eigen kots. Hendrik kreeg je nauwelijks naar huis.
Ik heb hem maar een handje geholpen. Jij bent die man niet waard. Hij werkt zich kapot en jij zit maar te zuipen, moet je zien hoe je eruit ziet. Greet heeft je doek en schort meegenomen om schoon te maken. Ze heeft Hendrik eten gegeven want jij was er weer eens niet. Wat ben jij eigenlijk voor vrouw? Eerst zat je te jeremiëren dat je een vent wilde en nu heb je er een, en een goeie ook, maar jij zwalkt maar over straat om maar aan je Schiedammertje te komen en je sleept pa en moe mee in je dwang naar drank. Moet je het hier eens zien het is een smerige bende, zelf aan je eigen huis doe je geen moer. En Henk maar werken voor mevrouw, en jij maar zeiken en zeuren. Godzijdank hoef ik je binnenkort niet meer te zien.
‘Nou, lekkere vent mijn Henk, sneerde Rie, na twee stappen denk je dat hij dood neervalt. Hij kan niets en wat heb hij aan al z’n geleerdheid uit die mooie boeken. Meneer kan schrijven en lezen en rekenen maar daarmee hebben we evengoed niets te vreten.
‘Als jij niet zo zoop, dan had je meer te vreten, lui kreng, je weet niet eens wat werken is. Henk moet zelfs z’n eigen kleren verstellen, daar ben je ook nog te beroerd voor. Sijmen spuugde voor haar voeten op de grond. Ben ik even blij dat ik niet met jou getrouwd ben!.
Rie sprong van het bed en wilde Sijmen een klap geven maar Sijmen was sneller en duwde haar opzij, ze klapte tegen de muur en begon te krijsen.
Hendrik sloeg haar midden in haar gezicht. Rie dit is de eerste keer dat ik je een optater geef maar je hebt hem al veel eerder verdient. En nu hou je je smoel, ga zitten en luister en waag het niet weer een grote bek op te zetten want dan sla ik weer en weer en weer tot je je grote ordinaire bek houdt. Zitten! Nu! Gebiedend wees hij naar de kruk.
Van verbazing hield Rie inderdaad haar mond, dit was voor het eerst dat Hendrik zo tegen haar tekeer ging. Hendrik vertelde haar dat ze die ochtend naar Assenhoff zouden gaan omdat ze eindelijk toestemming hadden gekregen om naar de kolonie te gaan. Hij vertelde haar alle informatie die hij gekregen had en als ze het waagde om bij Assenhoff haar grote scheur open te trekken en de boel te verpesten dan kon ze oprotten dan wilde hij haar nooit meer zien. Dit was haar laatste kans en die moest ze maar grijpen. Zo’n viswijf als zij wilde geen enkele kerel hebben. Het was dus alles of niets.
Sijmen pakte haar pols stevig beet en trok haar naar zich toe, zijn gezicht was vlak bij de hare. Vol walging rook hij de zure lucht uit haar mond. ‘Rie ik wil je dit even goed duidelijk maken… Als jij daar niet je fatsoen houdt dan ben je bij ons ook niet meer welkom. Geen gebedel om geld meer, geen gezanik om eten, geen gezeur meer. De deur blijft potdicht, hoe hard je ook schreeuwt, ik ben je meer dan zat, begrepen?
Rie knikte, haar hoofd bonkte en haar maag kneep samen, ze had honger en dorst. Ze stond op, duwde Sijmen opzij en liep naar buiten met een kroes, doopte die in de emmer met regenwater en dronk de beker gulzig leeg. Ze hijgde, kermde en kreunde.
‘Mijn eigen broer, mijn Sijmen, stuurt me weg. Moet ik naar zo’n Godverlaten oord, nooit meer pa en ma zien, nooit meer opoe, huilde ze. M’n man is gek geworden. Moet je hem nou zien staan die slemiel. Denkt dat ie land kan bewerken. Maar meneer gaat en ik heb maar mee te gaan. Wacht maar, je zal het weten! Dreigde ze. Jij ligt zo onder de zoden met dat sukkelige lijf van je en dan ben ik gelijk weer thuis. Maar in de tussentijd zal je spijt hebben dat je gegaan bent, dan kan je niet meer zeiken tegen m’n broer, daar zit je helemaal alleen met mij opgescheept, daar zal je blij mee zijn!
Henk snauwde ‘Er komen twee kinderen bij ons wonen. Een jongen en een meisje dus zo alleen ben ik daar niet. God verdult Rie, je hebt me nu al genoeg kapot gemaakt maar dit laat ik me niet door jou afnemen, begrepen! ‘
Rie lachte schamper, ‘welja, ook twee kinderen erbij, en wie mag dan het werk doen? Rie natuurlijk.
‘Alsof jij weet wat werken is, die kinderen zullen het jou moeten leren’, sneerde Sijmen. ‘Je kan net een brood snijden en daar hebben we het wel mee gehad. Je zal dat luie lijf van je daar in beweging moeten zetten liefie. Geen pappie en mammie meer in de buurt die alles wel goed vinden, het zal je goed doen, lui kreng.
Maar kom op Rie, we gaan je kleren halen, Hendrik ik heb nog wel een jas voor je, dit kan niet meer. Hij wees op het gat. Ik loop straks met jullie mee, dan kan m’n lieve zussie niets uitvreten onderweg.
Bij Sijmen en Greetje thuis nam Greet Rie goed onder handen. Ze waste haar haar en gezicht. Ze kamde net zo lang tot alle klitten er uit waren . Rie mopperde dat niemand haar haar zou zien onder de muts maar Greet liet zich niet van de wijs brengen. Stug ging ze door met Rie te fatsoeneren. Met een scherp stokje peuterde ze tussen de tanden van Rie om de etensresten weg te halen. Ze liet Rie goed met water spoelen in de hoop dat de stank uit haar mond zou verminderen. Daarna gaf ze haar het schone schort en haar eigen omslagdoek. De doek van Rie was nog niet droog ondanks dat het de hele nacht aan de lijn boven het smeulende vuur had gehangen. Ook kreeg ze van Rie een fatsoenlijke muts. Het was een heel andere vrouw die daar stond.
Met een diepe zucht ging Rie naar buiten tussen de twee mannen in. Sijmen hield haar stevig bij haar arm vast. Hij kende Rie door en door en wist welke streken ze kon uithalen. Hij waarschuwde haar keer op keer dat ze zich netjes moest gedragen bij Assenhoff.
Toen ze aankwamen bij het grote gebouw waar ook het kantoor van Assenhoff in gevestigd was bleef Sijmen staan en gaf Rie nog een laatste waarschuwing. Nu was het erop of eronder.
Ze werden aangediend en Rie vergaapte zich aan de luxe en het gebouw. Er lag een dik tapijt in de grote hal, de deuren hadden prachtige, bewerkte panelen en het was er zo stil. Je hoorde alleen de grote staande klok tikken. Heel wat anders dan het eeuwige lawaai in hun straat en kelder.
Assenhoff stond op toen ze binnenkwamen en begroette beide mensen vriendelijk en wees naar de stoelen waar ze plaats op konden nemen. Assenhoff was slim en behandelde Rie alsof ze de mooiste vrouw van de wereld was. Rie was wat dat betreft weinig gewend en liet zich intimideren. Hij vertelde hen wat hun te wachten stond en was zo enthousiast dat Rie er zelfs meer zin in kreeg. Assenhoff liet tekeningen zien van de woning en het stuk land dat ze zouden krijgen. Hij somde de huisraad op en dat was veel meer dan wat ze nu hadden. Bij het horen dat ze eventueel een koe kregen trok ze haar neus op. Moesten zij dan voor dat beest zorgen? Maar ook hier gaf Assenhoff een positieve draai aan en vertelde hoe heerlijk de melk was en wat ze allemaal met die melk kon doen, ze zou er kaas van kunnen maken. Het spinnen en weven noemde hij terloops. Hij wist dat het deze vrouw niet zou zinnen om dat werk te doen. Hij vertelde over de kinderen en bracht het zo dat het leek alsof zij veel werk uit handen zouden nemen. Rie zag zichzelf al lekker in een stoel zitten terwijl de kinderen het werk voor haar deden. Hendrik glimlachte, hij had door wat Assenhoff deed en was hem daar dankbaar voor. Met nadruk werd gesteld dat alcohol niet toegestaan was in Frederiksoord. 'Maar' zei hij opgewekt, 'daar heeft niemand met zo’n goed leven nog behoefte aan'. Zelfs Rie kon zich dat voorstellen. Daarna gaf hij hen de papieren mee die ze goed moesten doornemen alvorens die te ondertekenen. Binnen een week wilde hij de papieren terug hebben. Hij noemde de datum van vertrek en op welke tijd ze in de haven verwacht werden.
Rie was onder de indruk en liet geen tegengeluid horen. Hij gaf hen een adres van een kleermaker, ze konden op zijn kosten kleren laten maken voor de reis.
Op de terugweg praatte Rie honderduit, hoe goed ze het zou krijgen en dat ze mooie niéuwe kleren kreeg en dat ze daar amper wat hoefde te doen want de kinderen zouden alles voor haar doen…
Sijmen keek Hendrik eens aan en die knipoogde en haalde zijn schouders op. Hij was allang blij dat het gesprek goed verlopen was. Verder maakte hij zich weinig illusies wat Rie betrof. Gelukkig was daar geen drank te krijgen, daar zou hij geen last meer van ondervinden.
De verdere weken vertelde Rie aan iedereen die het horen wilde dat ze een mooi huis zou krijgen en pannen en dekens en een echt bed. Ze liep als een koningin door de straten en menigeen benijdde haar. Hendrik probeerde alles steeds opnieuw te relativeren en in de juiste proporties te plaatsen maar Rie wilde er niets van horen. Op het laatst leek het alsof ze in een kasteel ging wonen. Hendrik vertelde haar dat het huis één kamer had met een bedstee en een heel kleine, lage zolder. Dat de kinderen ook in die kamer moesten slapen en dat er wel gewerkt moest worden. Maar Rie wuifde zijn opmerkingen steeds weg. Maar het vooruitzicht had wel één voordeel, Rie gedroeg zich keurig, ze nam nog wel eens een Schiedammertje maar ze dronk er hooguit twee en daarna weigerde ze elk glaasje wat haar aangeboden werd. Hoe de mensen ook mopperden dat ze zo ongezellig deed en dat één glaasje toch niet uitmaakte, Rie weigerde pertinent. Zij wilde naar Frederiksoord, geen duizend paarden die haar daar weg konden houden.
Hendrik zag een glimp van de vrouw terug die hij gekozen had. Ze was weer opgewekt en huiselijk. ’s Avonds stond het eten klaar en ze verstelde hun oude goed. Hendrik begon zich weer te verheugen om thuis te komen. Eén maal vroeg ze hem zelfs of hij zijn vroegere leven niet vreselijk miste, hij was toch veel beter gewend. Ze vroeg het met zoveel mededogen dat Hendrik de tranen in zijn ogen voelde springen. Hij wuifde het luchtig weg en gaf als antwoord dat hij haar dan nooit ontmoet zou hebben. Het leek alsof de prettige beginjaren langzamerhand weer terug kwamen.
Greet en Sijmen leefden erg mee en hoopten dat het hen daar goed zou bevallen.
Toen de dag van vertrek aangekomen was stonden alle buren buiten om ze een goede reis te wensen en een mooi leven daar. Sijmen en Greet gingen mee naar de haven. Het deed Sijmen toch wel wat dat hij zijn zus waarschijnlijk nooit meer zou zien, maar dat kwam ook omdat ze de laatste weken erg vriendelijk en aardig was geweest.
Assemhoff had een koets geregeld, en gevieren stapten ze in onder de neerbuigende blikken van de koetsier. Het grote avontuur zou beginnen. Lies en Jan waren al twee dagen eerder vertrokken.
zaterdag 8 november 2008
5 Lies
Lies was ondertussen druk in gesprek met Rouweneel. De koets schommelde en schudde. Ze vond het jammer dat ze niets kon zien, alleen hoog in de koets zat een raampje waar ze alleen de benen van de koetsier door zag, Rouweneel wilde niet dat ze de gordijntjes open trok.
Hij verbaasde zich steeds meer over de naïviteit van Lies. Hoe was het mogelijk dat ze totaal niets wist van de stad en de wereld. Ze had hem verteld dat de meisjes die familie hadden ’s zondags opgehaald werden en dan niet hun weeshuiskleren aan hoefden. Eerst moesten ze naar de kerk maar ’s middags was het doodstil in het weeshuis. Alleen zij en Jeltje bleven binnen. En zelfs dan hadden ze taken zoals voor het avondeten zorgen en de slaapzaal schoonmaken. De meisjes die familie hadden hoefden veel minder te doen. Omdat Krakeel bang was dat ze anders geen geld meer kreeg van de familie. Die meisjes gingen elke dag naar school.
Rouweneel vroeg zich af waarom Krakeel, Lies kwijt wilde. Zij was een gratis dienstmeid.
Alsof zij zijn gedachte kon lezen vertelde Lies dat Krakeel van haar af wilde omdat ze in haar ogen brutaal was. Dat was ze niet vond zijzelf, alleen wilde ze wel altijd veel weten, Krakeel zei dat ze teveel dingen vroeg die haar niets aan gingen. Ze had gevraagd waarom zij bijvoorbeeld nooit nieuwe kleren kreeg zoals de andere weeskinderen die buiten kwamen. Of waarom zij niet in de opkamer mocht komen als er bezoek was.
‘Wat zei ze dan?’ vroeg Rouweneel nieuwsgierig.
“Dat ik daar niets te zoeken had. Dat ik een schande voor het weeshuis was omdat ik geen manieren heb.'
Rouweneel trok een wenkbrauw omhoog. Hoe bestaat het dacht hij, dit meisje was zeker niet ongemanierd, wel vrij in haar doen en laten maar dat was juist haar grootste charme.
Hij begreep waarom zij zo kinderlijk was gebleven, ze had nauwelijks contact gehad met iemand, op Jeltje na. Hij zag haar in het stille gebouw. Jeltje en de andere meisjes weg en zij de karweitjes opknappen waar de anderen ‘te goed’ voor waren. Het arme kind.
De koets stopte en de deur werd opengemaakt. De koetsier klapte het trapje uit en hielp Lies de koets uit, Rouweneel volgde.
Lies keek haar ogen uit. Ze waren in een straat met allemaal winkels. Koetsen reden af en aan en overal liepen deftige vrouwen en mannen. Lies zag de mooie laarsjes van de vrouwen en hoorde de rokken ruisen. Met open mond keek ze in het rond. 'Kom kind, we moeten hier naar binnen.'
Rouweneel hield een deur open, een belletje klingelde, en op haar tenen liep Lies de zaak binnen.
Ze was letterlijk met stomheid geslagen, overal om haar heen lagen balen stof, tot aan het plafond toe. De meeste mooie kleuren glansden haar tegemoet. Ze wilde erover strijken maar durfde niet.
'Doe die deur dicht, ik stook me al arm,' riep een kleine man van achter uit de winkel. Om zijn nek had hij een meetlint, aan de onderkant van zijn kalende hoofd stond zijn witte haar wijduit. Zijn bruine broek en lichtbruine buis zaten onder de kleine draadjes. Om zijn arm droeg hij een band met een kussentje waar allemaal spelden in staken.
‘Dag mevrouw meneer, wat kan ik voor u doen?’
‘Deze jongedame gaat op reis en ik wil een eenvoudige reisjurk en mantel voor haar. Het moet snel klaar zijn, over drie weken vertrekt ze. Áls het op tijd klaar is zit er wel een extraatje aan vast’.
De man hief zijn handen: ‘Iedereen wil alles maar snel klaar hebben, ik heb maar twee stel handen meneer. Ik kan niet toveren.’
‘Ja twee stel handen maar tien meisjes die het werk doen. Als het u niet lukt dan ga ik wel naar Jongeneel. Kijken of hij het wel kan.’
De kleermaken sloeg om als een blad aan een boom.
‘Eens kijken, een eenvoudig reiskostuum voor deze jongedame zei u.’ Hij bekeek Lies van top tot teen en merkte op dat er zich geen problemen zouden voordoen, een model aanbrengen in haar kleding was nauwelijks nodig, het meisje had geen figuur. Hij keek naar de stakerige, rode handen en het dunne, fijne gezicht. Mooi was ze wel dacht hij.
'Ja het zal me wel lukken.' antwoordde hij. ‘Meneer wenste zeker de goedkoopste stof gezien de afkomst van het meisje, was zij misschien in de problemen geraakt?’
‘Zeer zeker niet! snauwde Rouweneel. ‘Dit meisje is uitgekozen om naar Frederiksoord te vertrekken en ik wil dat ze er een beetje fatsoenlijker uit ziet dan nu, het is een schande dat het weeshuis haar er zo bij laat lopen!’ Ze is een vondeling zonder familie dus het bestuur vind het niet nodig dat zij goede kleren heeft…
De kleermaker kromp ineen en pakte zijn meetlint. Als meneer het toestaat dat ik haar maten opneem dan zal ik zorgen dat over twee weken de kleding klaar is.'
De kleermaker merkte verrast op dat onder de opgelapte rok en wijde blouse meer model zat dan hij gedacht had. Begerig keek hij naar Lies frisse gezicht en slanke, ranke lichaam, jammer dat ze wegging, haar had hij wel in zijn atelier willen hebben. Rouweneel zag de blik van de man en voelde een intense afkeer. Deze man was weliswaar een vakman maar het zou de laatste keer zijn dat hij hier kwam. Zijn blik en manier van doen stond hem zeer tegen.
Nadat de maten nauwkeurig opgenomen waren, een proces wat Lies met een hoogrode kleur ondergaan had, werd de stof uitgezocht. De jurk werd van grijsblauw laken, de jas van zwarte wol.
Rouweneel pakte Lies bij haar arm nadat hij een datum had afgesproken met de kleermaken om het pakket op te halen en leidde Lies de winkel uit. Een rilling gleed over zijn rug. Hoe zou dit onbevangen kind zich staande weten te houden in de kolonie? Ze was zo wereldvreemd.
Op de terugweg was Lies stil en Rouweneel miste het opgewekte gesprek van de heenreis.
'Wat mankeert er aan Lies? Heb je spijt dat je meegegaan bent?'
Met een ruk hief Lies haar hoofd omhoog, twee felblauwe ogen keken hem recht aan.
‘Nee, geen spijt, maar ik vond die man eng. Hij keek zo vreemd naar me en toen hij de maat nam voelde hij, nou ja, hij had zijn handen, eh, heel ver onder mijn armen gestoken. Ongemakkelijk schoof ze over de zitting van de bank. ‘De schoft’ dacht Rouweneel.
‘Ja je moet je maar goed houden aan wat mevrouw Krakeel tegen je zei, niet iedereen is aardig of goed. Maar kind, je wilde niet naar Frederiksoord, denk je er nu anders over?'
'Nee, ja, ik wil wel en niet. Ik wil Jeltje niet kwijtraken. Ze mag toch niet naar me schrijven van Krakeel. Maar ik wil ook wel weg bij Krakeel. Ik weet het niet, ik ben bang en aan de andere kant vind ik het leuk. Is het in Frederiksoord ook zo druk als waar we net waren?'
Rouweneel, begon te lachen. ‘Nee kind, Frederiksoord is rustig. Het ligt midden in weilanden en veengronden, maar dat zal je allemaal wel zien. Ik denk dat je nog nooit een weiland gezien hebt. Heb je wel eens gras gezien vraag ik me zelfs af.'
‘Ja gras wel, dat groeit tussen de stenen van de binnenplaats en dat moet ik weghalen van Krakeel omdat het glad wordt en vies is, vooral als het geregend heeft. Een meisje was uitgegleden over het gras en had haar been gebroken, vanaf die tijd moet ik steeds het gras weghalen.
Maar dat vind ik niet zo erg want dan hoef ik tenminste niet binnen te zitten en kleren te verstellen. Daar heb ik echt een hekel aan!
Maar waarom zei die man dat ik de goedkoopste stof moest hebben zeker?'
Rouweneel kleurde. 'Het is een domme man' zei hij. 'Hij denkt dat een weesmeisje toch geen mooie kleren nodig heeft en dat de directie, Krakeel, liever donkere, harde en dikke stof hebben omdat het minder snel kapot gaat en het er niet zo gauw vies uit ziet. Hij snapt niet dat ook een weesmeisje graag warme en mooie kleren draagt.'
‘Ik heb er eigenlijk nog nooit zo over nagedacht, antwoordde Lies. Het wás gewoon altijd zo, iedereen moet dezelfde kleren aan door de week, alleen die van de andere meisjes zijn beter en zij krijgen vaak nieuwe kleren. Ik moet hun kleren dragen. Dit is voor het eerst dat ik ook nieuwe kleren krijg.'
Rouweneel dacht aan zijn zus die een kamer vol kleren had, en dat heel gewoon vond en steeds meer wilde.
Bij aankomst van het weeshuis hielp hij Lies uit de koets en vertelde dat hij haar over drie weken kwam halen, dan zouden ze weer met de koets gaan naar de Veerhaven, om daar op de boot naar Amsterdam te gaan.
‘Gaat u ook daar wonen?' Vroeg Lies.
‘Nee, maar ik breng jou en de andere mensen eerst naar Amsterdam en vanaf daar varen we over de Zuiderzee naar Frederiksoord. Ik blijf dan een paar dagen daar en ga dan weer terug naar Den Haag.
‘Als ik het nou heel erg naar vind daar, kan ik dan mee terug?’
‘Nee, dat zal niet gaan, maar ik denk dat je het daar veel beter hebt dan hier, je zal het zeker prettig vinden daar.’
Met deze woorden nam hij afscheid van haar en stapte terug in de koets. Lies keek hem na, en vond het jammer dat hij wegging en niet ook daar ging wonen.
Krakeel kwam naar buiten stormen. Lies, wat sta je daar te lummelen. Trek je werkgoed aan en aan het werk. Genoeg geluierd vandaag. Het blijft geen feest!
Lies zuchtte en bedacht dat het toch wel lekker was om nooit meer Krakeel te hoeven zien of te horen.
Nog even draaide ze zich om, de koets was weg. Het gewone leven begon weer, maar niet voor lang meer. Diep binnen in haar borrelde blijdschap op. Zingend liep ze achter Krakeel aan naar binnen.
Totaal 8800
Hij verbaasde zich steeds meer over de naïviteit van Lies. Hoe was het mogelijk dat ze totaal niets wist van de stad en de wereld. Ze had hem verteld dat de meisjes die familie hadden ’s zondags opgehaald werden en dan niet hun weeshuiskleren aan hoefden. Eerst moesten ze naar de kerk maar ’s middags was het doodstil in het weeshuis. Alleen zij en Jeltje bleven binnen. En zelfs dan hadden ze taken zoals voor het avondeten zorgen en de slaapzaal schoonmaken. De meisjes die familie hadden hoefden veel minder te doen. Omdat Krakeel bang was dat ze anders geen geld meer kreeg van de familie. Die meisjes gingen elke dag naar school.
Rouweneel vroeg zich af waarom Krakeel, Lies kwijt wilde. Zij was een gratis dienstmeid.
Alsof zij zijn gedachte kon lezen vertelde Lies dat Krakeel van haar af wilde omdat ze in haar ogen brutaal was. Dat was ze niet vond zijzelf, alleen wilde ze wel altijd veel weten, Krakeel zei dat ze teveel dingen vroeg die haar niets aan gingen. Ze had gevraagd waarom zij bijvoorbeeld nooit nieuwe kleren kreeg zoals de andere weeskinderen die buiten kwamen. Of waarom zij niet in de opkamer mocht komen als er bezoek was.
‘Wat zei ze dan?’ vroeg Rouweneel nieuwsgierig.
“Dat ik daar niets te zoeken had. Dat ik een schande voor het weeshuis was omdat ik geen manieren heb.'
Rouweneel trok een wenkbrauw omhoog. Hoe bestaat het dacht hij, dit meisje was zeker niet ongemanierd, wel vrij in haar doen en laten maar dat was juist haar grootste charme.
Hij begreep waarom zij zo kinderlijk was gebleven, ze had nauwelijks contact gehad met iemand, op Jeltje na. Hij zag haar in het stille gebouw. Jeltje en de andere meisjes weg en zij de karweitjes opknappen waar de anderen ‘te goed’ voor waren. Het arme kind.
De koets stopte en de deur werd opengemaakt. De koetsier klapte het trapje uit en hielp Lies de koets uit, Rouweneel volgde.
Lies keek haar ogen uit. Ze waren in een straat met allemaal winkels. Koetsen reden af en aan en overal liepen deftige vrouwen en mannen. Lies zag de mooie laarsjes van de vrouwen en hoorde de rokken ruisen. Met open mond keek ze in het rond. 'Kom kind, we moeten hier naar binnen.'
Rouweneel hield een deur open, een belletje klingelde, en op haar tenen liep Lies de zaak binnen.
Ze was letterlijk met stomheid geslagen, overal om haar heen lagen balen stof, tot aan het plafond toe. De meeste mooie kleuren glansden haar tegemoet. Ze wilde erover strijken maar durfde niet.
'Doe die deur dicht, ik stook me al arm,' riep een kleine man van achter uit de winkel. Om zijn nek had hij een meetlint, aan de onderkant van zijn kalende hoofd stond zijn witte haar wijduit. Zijn bruine broek en lichtbruine buis zaten onder de kleine draadjes. Om zijn arm droeg hij een band met een kussentje waar allemaal spelden in staken.
‘Dag mevrouw meneer, wat kan ik voor u doen?’
‘Deze jongedame gaat op reis en ik wil een eenvoudige reisjurk en mantel voor haar. Het moet snel klaar zijn, over drie weken vertrekt ze. Áls het op tijd klaar is zit er wel een extraatje aan vast’.
De man hief zijn handen: ‘Iedereen wil alles maar snel klaar hebben, ik heb maar twee stel handen meneer. Ik kan niet toveren.’
‘Ja twee stel handen maar tien meisjes die het werk doen. Als het u niet lukt dan ga ik wel naar Jongeneel. Kijken of hij het wel kan.’
De kleermaken sloeg om als een blad aan een boom.
‘Eens kijken, een eenvoudig reiskostuum voor deze jongedame zei u.’ Hij bekeek Lies van top tot teen en merkte op dat er zich geen problemen zouden voordoen, een model aanbrengen in haar kleding was nauwelijks nodig, het meisje had geen figuur. Hij keek naar de stakerige, rode handen en het dunne, fijne gezicht. Mooi was ze wel dacht hij.
'Ja het zal me wel lukken.' antwoordde hij. ‘Meneer wenste zeker de goedkoopste stof gezien de afkomst van het meisje, was zij misschien in de problemen geraakt?’
‘Zeer zeker niet! snauwde Rouweneel. ‘Dit meisje is uitgekozen om naar Frederiksoord te vertrekken en ik wil dat ze er een beetje fatsoenlijker uit ziet dan nu, het is een schande dat het weeshuis haar er zo bij laat lopen!’ Ze is een vondeling zonder familie dus het bestuur vind het niet nodig dat zij goede kleren heeft…
De kleermaker kromp ineen en pakte zijn meetlint. Als meneer het toestaat dat ik haar maten opneem dan zal ik zorgen dat over twee weken de kleding klaar is.'
De kleermaker merkte verrast op dat onder de opgelapte rok en wijde blouse meer model zat dan hij gedacht had. Begerig keek hij naar Lies frisse gezicht en slanke, ranke lichaam, jammer dat ze wegging, haar had hij wel in zijn atelier willen hebben. Rouweneel zag de blik van de man en voelde een intense afkeer. Deze man was weliswaar een vakman maar het zou de laatste keer zijn dat hij hier kwam. Zijn blik en manier van doen stond hem zeer tegen.
Nadat de maten nauwkeurig opgenomen waren, een proces wat Lies met een hoogrode kleur ondergaan had, werd de stof uitgezocht. De jurk werd van grijsblauw laken, de jas van zwarte wol.
Rouweneel pakte Lies bij haar arm nadat hij een datum had afgesproken met de kleermaken om het pakket op te halen en leidde Lies de winkel uit. Een rilling gleed over zijn rug. Hoe zou dit onbevangen kind zich staande weten te houden in de kolonie? Ze was zo wereldvreemd.
Op de terugweg was Lies stil en Rouweneel miste het opgewekte gesprek van de heenreis.
'Wat mankeert er aan Lies? Heb je spijt dat je meegegaan bent?'
Met een ruk hief Lies haar hoofd omhoog, twee felblauwe ogen keken hem recht aan.
‘Nee, geen spijt, maar ik vond die man eng. Hij keek zo vreemd naar me en toen hij de maat nam voelde hij, nou ja, hij had zijn handen, eh, heel ver onder mijn armen gestoken. Ongemakkelijk schoof ze over de zitting van de bank. ‘De schoft’ dacht Rouweneel.
‘Ja je moet je maar goed houden aan wat mevrouw Krakeel tegen je zei, niet iedereen is aardig of goed. Maar kind, je wilde niet naar Frederiksoord, denk je er nu anders over?'
'Nee, ja, ik wil wel en niet. Ik wil Jeltje niet kwijtraken. Ze mag toch niet naar me schrijven van Krakeel. Maar ik wil ook wel weg bij Krakeel. Ik weet het niet, ik ben bang en aan de andere kant vind ik het leuk. Is het in Frederiksoord ook zo druk als waar we net waren?'
Rouweneel, begon te lachen. ‘Nee kind, Frederiksoord is rustig. Het ligt midden in weilanden en veengronden, maar dat zal je allemaal wel zien. Ik denk dat je nog nooit een weiland gezien hebt. Heb je wel eens gras gezien vraag ik me zelfs af.'
‘Ja gras wel, dat groeit tussen de stenen van de binnenplaats en dat moet ik weghalen van Krakeel omdat het glad wordt en vies is, vooral als het geregend heeft. Een meisje was uitgegleden over het gras en had haar been gebroken, vanaf die tijd moet ik steeds het gras weghalen.
Maar dat vind ik niet zo erg want dan hoef ik tenminste niet binnen te zitten en kleren te verstellen. Daar heb ik echt een hekel aan!
Maar waarom zei die man dat ik de goedkoopste stof moest hebben zeker?'
Rouweneel kleurde. 'Het is een domme man' zei hij. 'Hij denkt dat een weesmeisje toch geen mooie kleren nodig heeft en dat de directie, Krakeel, liever donkere, harde en dikke stof hebben omdat het minder snel kapot gaat en het er niet zo gauw vies uit ziet. Hij snapt niet dat ook een weesmeisje graag warme en mooie kleren draagt.'
‘Ik heb er eigenlijk nog nooit zo over nagedacht, antwoordde Lies. Het wás gewoon altijd zo, iedereen moet dezelfde kleren aan door de week, alleen die van de andere meisjes zijn beter en zij krijgen vaak nieuwe kleren. Ik moet hun kleren dragen. Dit is voor het eerst dat ik ook nieuwe kleren krijg.'
Rouweneel dacht aan zijn zus die een kamer vol kleren had, en dat heel gewoon vond en steeds meer wilde.
Bij aankomst van het weeshuis hielp hij Lies uit de koets en vertelde dat hij haar over drie weken kwam halen, dan zouden ze weer met de koets gaan naar de Veerhaven, om daar op de boot naar Amsterdam te gaan.
‘Gaat u ook daar wonen?' Vroeg Lies.
‘Nee, maar ik breng jou en de andere mensen eerst naar Amsterdam en vanaf daar varen we over de Zuiderzee naar Frederiksoord. Ik blijf dan een paar dagen daar en ga dan weer terug naar Den Haag.
‘Als ik het nou heel erg naar vind daar, kan ik dan mee terug?’
‘Nee, dat zal niet gaan, maar ik denk dat je het daar veel beter hebt dan hier, je zal het zeker prettig vinden daar.’
Met deze woorden nam hij afscheid van haar en stapte terug in de koets. Lies keek hem na, en vond het jammer dat hij wegging en niet ook daar ging wonen.
Krakeel kwam naar buiten stormen. Lies, wat sta je daar te lummelen. Trek je werkgoed aan en aan het werk. Genoeg geluierd vandaag. Het blijft geen feest!
Lies zuchtte en bedacht dat het toch wel lekker was om nooit meer Krakeel te hoeven zien of te horen.
Nog even draaide ze zich om, de koets was weg. Het gewone leven begon weer, maar niet voor lang meer. Diep binnen in haar borrelde blijdschap op. Zingend liep ze achter Krakeel aan naar binnen.
Totaal 8800
donderdag 6 november 2008
4 Hendrik
Hendrik liep naar huis met een hoofd vol plannen. Zijn vrouw moest begrijpen dat dit hun enige kans was om uit de ellende te raken. In gedachte zag hij zich buiten in de frisse lucht werken. Plots versomberde hij, hoe kon hij met dit lichaam het werk doen wat ze van hem verwachten? Hij hield al nauwelijks het weinige timmerwerk vol. De hamer werd steeds moeizamer te hanteren. Soms kwam hij zoveel lucht tekort dat hij dacht dat zijn laatste uur geslagen was.
Hij bekeek zijn kromme handen, en schraapte met een hand langs zijn kin, uit zijn stoppelbaard vielen houtschilfers. Hoe heeft het zover kunnen komen mompelde hij in zichzelf.
Zover hij kon rechtte hij zijn rug. Er was nu een kans om weer op te klimmen. Hij kon veel en misschien wilden ze hem wel voor ander werk gebruiken als de landarbeid niet ging. Hij zou laten zien dat hij een fatsoenlijk mens was. Zelfs nu had hij altijd nog zijn waardigheid behouden. Ondanks de honger had hij zich niet weten te verlagen tot bedelarij.
‘Hé daar heb je verwaande Henkie’ schreeuwde een vrouw. ‘Heb je het nog steeds zo hoog in je bol. Kapsoneslijer. Jij woont ook maar in een stinkende smerige kelder, je bent niets meer of minder dan ons. En dat wijf van je is een zuiplap, mijn kerel zuipt tenminste niet. Jij hebt ook niets te vreten net als wij dus doe maar niet alsof jij te goed voor ons bent.’
Hendrik voelde een ijzige kramp in zijn borst, zijn handen balden zich tot vuisten. Woede welde in hem op maar hij wist, de vrouw had gelijk. Hij had niets en niemand om trots op te zijn.
Zijn kleren waren afdankertjes van meneer Assenhoff en van andere mensen waarvoor hij gewerkt had. Hij klemde zijn lippen op elkaar en probeerde de vrouw te negeren. Scheldend liep ze achter hem aan totdat hij eindelijk zijn woning in kon. Nog even, dacht hij, en ik ben verlost van deze buurt, deze kelder. Hij huiverde, het vuur was weer eens uit, hij pakte de zak met houtsnippers en met veel moeite kreeg hij de vlam er in, alles was klam hier wist hij. Toen hij rondkeek leek het net of hier nog nooit geweest was, alsof hij voor de eerste keer in de kelder was. Door het harde werken was hij vaak zo moe thuisgekomen dat niet eens meer de erbarmelijke staat van de kelder tot hem doordrong. In de hoek stond hun bed op hoge poten. Zo werd de strozak tenminste niet nat als het regenwater weer eens de kelder in liep, daaroverheen lag de dunne deken, vol gaten. Bij het kelderraampje, dat hoog tegen het plafond zat, stond de oude tafel en twee wankele krukjes. Op de tafel een kaarsstompje, olie voor de lamp hadden ze zich allang niet meer kunnen veroorloven. Bij de deur naar het kleine binnenplaatsje lagen een paar groezelige doeken op een plankje. Daaronder hing de oude kist met riemen aan de muur. Daarin zaten de enkele boeken die hij niet weg had kunnen doen. Zijn vrouw wist dat ze daar nooit aan mocht komen. Die gingen niet naar de lommerd, die werden niet verkocht of geruild voor jenever. Hendrik schudde zijn hoofd en voelde zich ineens enorm somber. Weg was zijn blijde stemming. Hij ging het nooit redden in Frederiksoord. Hij kon nu al amper meer lopend in de haven komen.. Hoe moest hij het in Godsnaam met dit lijf voor elkaar krijgen om te werken op het land. Misschien dat de weesjongen hem kon helpen…
De gedachte aan de twee kinderen vrolijkte hem op. Hij had graag kinderen gehad maar zijn twee overleden vrouwen waren te zwak geweest. Ze waren wel zwanger geweest maar hadden voortijdig de kinderen verloren. Eén kind had een week geleefd, een jongetje, Thijsje had hij hem genoemd. Hij had gelijk al geweten dat het tere mannetje het niet zou redden. En nu had hij eindelijk een gezonde, sterke vrouw maar zij dacht alleen maar aan drank. Hij was stom geweest haar in huis te halen. Ze was zo vriendelijk voor hem geweest na de dood van zijn tweede vrouw en hij had medelijden met haar gehad. Mooi was ze niet, de meeste mannen liepen met een grote boog om haar heen. Ze woonde toentertijd nog steeds bij haar ouders. Hij dacht dat hij haar een plezier zou doen door haar een eigen thuis te geven. Destijds woonde hij nog niet in de kelder. Maar toen ze eenmaal bij hem ingetrokken was bleek dat ze elke dag naar haar oude buurtje ging en zijn weinig verdiende geld gebruikte om jenever voor haar en haar ouders te kopen. Soms zag hij haar dagen niet, dan sliep ze bij haar ouders.
Een enkele keer verbood hij het haar om te gaan, vooral als hij geen werk had, dan moesten ze toch al zo oppassen om tenminste iets te eten te kunnen kopen. Ze gingen dan samen aan het eind van de dag naar de markt om tussen het afval te zoeken naar eetbare spullen. Vaak waren het verrotte uien of aardappelen. Rie schold hem dan altijd uit en zei dat ze er mooi ingetrapt was. Ze had gedacht in een goed huis te komen wonen en warme kleren te hebben. Als hij dan zei dat zij alles opzoop dan begon Rie te schreeuwen dat ze jenever dronk omdat ze dan geen honger voelde.
Hij haalde grimmig zijn schouders op. Als het goed was dan zou ze in Frederiksoord geen jenever meer nodig hebben. Daar zouden ze altijd te eten hebben. Verdult waar was ze eigenlijk, ze moest morgen mee, als het niet goedschiks ging dan maar kwaadschiks. Hij liep naar de binnenplaats met een van de doeken en doopte die in de emmer met regenwater. Met zijn kromme handen viel het hem moeilijk zijn gezicht schoon te vegen. Het water stonk en uit de doek kwam een zure lucht maar toch voelde Hendrik zich wat beter na de wasbeurt. Ze zal wel weer bij haar moeder of bij opoe zitten. Hoe kreeg hij haar daar bijtijds weg…
Hij liep de kelder uit en zag tot zijn grote schrik zijn vrouw stomdronken het huis van haar ouders komen. ‘Ha daar hebben we Henkie, heb je geld? Pa en moe willen nog wel een druppel.’
Woede schoot in hem omhoog. Hij sloeg zijn arm om haar heen en dwong haar zo mee naar huis. Rie strompelde naast hem en voort. ‘Hee Henkie, heb je centen meegebracht? Of moeten we weer rotte aardappelen vreten? Henkie, Henkie, Henkie, heb je nog wat te schenkie? zong ze lallend om vervolgens gillend van de lach om haar eigen liedje bijna over haar eigen benen te struikelen. Ze greep Hendrik bij zijn jas waardoor er een flinke scheur in de dunne stof kwam. ‘Kijk nou!’, riep ze, ‘mijn kapsoneshenkie met een gat in zijn jas. Komt dat zien, komt dat zien. Meneer Henk heb nu een jas in een gat. Ze lachte zo hard dat ze opnieuw bijna omviel. Hendrik moest zich beheersen om haar geen klap voor haar hoofd te geven. ‘Stil’, siste hij, ‘houd je bek, nu!’ Oh m’n Henkie is boos!’ Jende ze hem. ‘Hij zegt bek, mijn Henkie. Mag je dat wel zeggen Henkie, Henkie?’
Rie zwalkte alle kanten op en Hendrik moest haar nu met beide armen om haar schouders vasthouden om haar de goede richting op te sturen. Ze hing achterover tegen hem aan en plotsklaps begon ze te braken. Hendrik wendde zijn hoofd af en hield zijn adem in om de zure dranklucht niet te hoeven ruiken. Haar omslagdoek viel in het braaksel en ineens begon Rie te huilen. ‘Mijn mooie doek! Die heb ik van m’n opoe gehad, jammerde ze en probeerde de doek te pakken maar viel voorover. Hendrik kon haar niet meer tegenhouden. In haar eigen braaksel lag ze te huilen om haar doek.
‘Rie, Rie, Rie je maakt het wel weer erg bont’, hoorde Hendrik naast zich zeggen. Het was Sijmen, de broer van Rie. ‘Kom Rietje, we brengen je naar huis.’ Sijmen pakte de doek op en hield hem met een vies gezicht bij een punt vast.
Hangend tussen de twee mannen in, sleepten ze Rie de kelder door naar het binnenplaatsje. Daar probeerden ze haar voorzichtig tegen de muur te zetten. Rie zakte onmiddellijk door haar benen en plofte op de stoep. Klagend zat ze voor zich uit te jammeren, duidelijk niet meer wetend wat ze deed en waar ze was. Hendrik doopte de doek in het water en wrong hem uit boven Rie’s hoofd. Rie begon te vloeken en te schreeuwen maar Hendrik duwde de doek in haar gezicht en veegde ruw haar gezicht schoon om daarna haar kleren schoon te wrijven.
Haar schort zat vol met braaksel. Hendrik verwonderde zich over de hoeveelheid, zoveel hadden ze niet te eten de laatste tijd.
Sijmen hielp Hendrik om het schort af te doen, Rie stribbelde hevig tegen. Daarna namen ze haar weer tussen zich in en liepen de kelder in om haar daar op het bed te leggen.
Hendrik ademde zwaar, de inspanning had hem erg benauwd gemaakt. Sijmen keek hem bezorgd aan. Die man is zwaar ziek dacht hij. Hij wist dat Hendrik het zwaar had met zijn zuster. Hij kon ze nu maar beter alleen laten en stak zijn hand op ten afscheid, maar Hendrik gebaarde hem te blijven en mee te gaan naar de binnenplaats. Sijmen pakte de twee krukken en liep achter Hendrik aan.
‘Je moet haar kort houden’ zei hij. Het is een helleveeg, altijd al geweest. Ze denkt aan niemand behalve aan zichzelf. Ze was niet voor niets nog steeds niet getrouwd. Iedereen kende haar hier en alle kerels renden liever weg dan met haar aan te pappen.’
Hendrik hapte nog naar adem. ‘Gaan weg’, wist hij er met moeite uit te brengen, ‘Frederiksoord, Ammeshoff geregeld.’ Verrast keek Sijmen hem aan. ‘Je hebt gelijk Henk, ik zou ook bij haar weglopen. Dit is een verschrikking. Maar wat zei je nou? Frederiksoord? Dat is toch die kolonie? Je pakt het wel gelijk goed aan, daar komt ze je niet achterna.’
‘Nee, schudde Hendrik, ‘Rie mee, morgen nuchter, Ammeshoff, praten.’
‘Kerel je bent gek!’ riep Sijmen. ‘Rie mee naar de kolonie? Dat gaat nooit goed.’
‘Jawel, daar geen jenever, niets! stamelde Hendrik. ‘Is goed, twee kinderen ook.’
Sijmen plofte met zijn rug tegen de muur en keek Hendrik verbijsterd aan. ‘Rie en jij én twee kinderen? Hoe krijg je het in je kop man. Rie en kinderen dat is water en vuur. Die krijgen geen leven bij haar.’
Hendrik knikte heftig. ‘Is heel goed, ze moet wel. Hier niets meer. Laatste kans.’
Sijmen begon te lachen. ‘Hendrik, je verbaast me steeds weer. Wacht ik haal Greetje, dan kan jij ondertussen op adem komen.
‘Neem kruk mee.’ knikte Hendrik.
Even later zaten Hendrik, Sijmen en zijn vrouw Greetje op de binnenplaats. Hendrik vertelde wat hij van Ammeshoff gehoord had en dat hij morgen naar zijn kantoor moest komen met Rie. Rie wist nog van niets en hij wist niet hoe hij het aan moest pakken. Als ze vannacht wakker werd had je grote kans dat ze weer het huis uit glipte. En nu had ze haar omslagdoek en schort ook nog besmeurd.
Kordaat besliste Greetje dat Sijmen de nacht bij Hendrik zou blijven. Ze zouden om beurten waken of wie weet kon Hendrik wel voorlezen uit een van zijn boeken, dan kwam zij er ook bij zitten.
Greetje zou ook voor schoon goed zorgen.
Hendrik voelde langzaam de spanning van zich af glijden. Morgen zou het in ieder geval wel lukken en de rest zou hij later wel weer zien.
Greetje nam de vuile kleding mee en kwam even later terug met een kaars en een pannetje eten voor Hendrik. Deze schrokte het naar binnen en na de warme maaltijd voelde hij warmte en optimisme in zijn lijf terugkeren. ‘Het zal allemaal wel goed komen. Rie is ook de kwaadste niet’ zei hij.
Waarop Sijmen en Greetje diep zuchtten. Hendrik bleef een aparte.
Totaal 7123 woorden
Hij bekeek zijn kromme handen, en schraapte met een hand langs zijn kin, uit zijn stoppelbaard vielen houtschilfers. Hoe heeft het zover kunnen komen mompelde hij in zichzelf.
Zover hij kon rechtte hij zijn rug. Er was nu een kans om weer op te klimmen. Hij kon veel en misschien wilden ze hem wel voor ander werk gebruiken als de landarbeid niet ging. Hij zou laten zien dat hij een fatsoenlijk mens was. Zelfs nu had hij altijd nog zijn waardigheid behouden. Ondanks de honger had hij zich niet weten te verlagen tot bedelarij.
‘Hé daar heb je verwaande Henkie’ schreeuwde een vrouw. ‘Heb je het nog steeds zo hoog in je bol. Kapsoneslijer. Jij woont ook maar in een stinkende smerige kelder, je bent niets meer of minder dan ons. En dat wijf van je is een zuiplap, mijn kerel zuipt tenminste niet. Jij hebt ook niets te vreten net als wij dus doe maar niet alsof jij te goed voor ons bent.’
Hendrik voelde een ijzige kramp in zijn borst, zijn handen balden zich tot vuisten. Woede welde in hem op maar hij wist, de vrouw had gelijk. Hij had niets en niemand om trots op te zijn.
Zijn kleren waren afdankertjes van meneer Assenhoff en van andere mensen waarvoor hij gewerkt had. Hij klemde zijn lippen op elkaar en probeerde de vrouw te negeren. Scheldend liep ze achter hem aan totdat hij eindelijk zijn woning in kon. Nog even, dacht hij, en ik ben verlost van deze buurt, deze kelder. Hij huiverde, het vuur was weer eens uit, hij pakte de zak met houtsnippers en met veel moeite kreeg hij de vlam er in, alles was klam hier wist hij. Toen hij rondkeek leek het net of hier nog nooit geweest was, alsof hij voor de eerste keer in de kelder was. Door het harde werken was hij vaak zo moe thuisgekomen dat niet eens meer de erbarmelijke staat van de kelder tot hem doordrong. In de hoek stond hun bed op hoge poten. Zo werd de strozak tenminste niet nat als het regenwater weer eens de kelder in liep, daaroverheen lag de dunne deken, vol gaten. Bij het kelderraampje, dat hoog tegen het plafond zat, stond de oude tafel en twee wankele krukjes. Op de tafel een kaarsstompje, olie voor de lamp hadden ze zich allang niet meer kunnen veroorloven. Bij de deur naar het kleine binnenplaatsje lagen een paar groezelige doeken op een plankje. Daaronder hing de oude kist met riemen aan de muur. Daarin zaten de enkele boeken die hij niet weg had kunnen doen. Zijn vrouw wist dat ze daar nooit aan mocht komen. Die gingen niet naar de lommerd, die werden niet verkocht of geruild voor jenever. Hendrik schudde zijn hoofd en voelde zich ineens enorm somber. Weg was zijn blijde stemming. Hij ging het nooit redden in Frederiksoord. Hij kon nu al amper meer lopend in de haven komen.. Hoe moest hij het in Godsnaam met dit lijf voor elkaar krijgen om te werken op het land. Misschien dat de weesjongen hem kon helpen…
De gedachte aan de twee kinderen vrolijkte hem op. Hij had graag kinderen gehad maar zijn twee overleden vrouwen waren te zwak geweest. Ze waren wel zwanger geweest maar hadden voortijdig de kinderen verloren. Eén kind had een week geleefd, een jongetje, Thijsje had hij hem genoemd. Hij had gelijk al geweten dat het tere mannetje het niet zou redden. En nu had hij eindelijk een gezonde, sterke vrouw maar zij dacht alleen maar aan drank. Hij was stom geweest haar in huis te halen. Ze was zo vriendelijk voor hem geweest na de dood van zijn tweede vrouw en hij had medelijden met haar gehad. Mooi was ze niet, de meeste mannen liepen met een grote boog om haar heen. Ze woonde toentertijd nog steeds bij haar ouders. Hij dacht dat hij haar een plezier zou doen door haar een eigen thuis te geven. Destijds woonde hij nog niet in de kelder. Maar toen ze eenmaal bij hem ingetrokken was bleek dat ze elke dag naar haar oude buurtje ging en zijn weinig verdiende geld gebruikte om jenever voor haar en haar ouders te kopen. Soms zag hij haar dagen niet, dan sliep ze bij haar ouders.
Een enkele keer verbood hij het haar om te gaan, vooral als hij geen werk had, dan moesten ze toch al zo oppassen om tenminste iets te eten te kunnen kopen. Ze gingen dan samen aan het eind van de dag naar de markt om tussen het afval te zoeken naar eetbare spullen. Vaak waren het verrotte uien of aardappelen. Rie schold hem dan altijd uit en zei dat ze er mooi ingetrapt was. Ze had gedacht in een goed huis te komen wonen en warme kleren te hebben. Als hij dan zei dat zij alles opzoop dan begon Rie te schreeuwen dat ze jenever dronk omdat ze dan geen honger voelde.
Hij haalde grimmig zijn schouders op. Als het goed was dan zou ze in Frederiksoord geen jenever meer nodig hebben. Daar zouden ze altijd te eten hebben. Verdult waar was ze eigenlijk, ze moest morgen mee, als het niet goedschiks ging dan maar kwaadschiks. Hij liep naar de binnenplaats met een van de doeken en doopte die in de emmer met regenwater. Met zijn kromme handen viel het hem moeilijk zijn gezicht schoon te vegen. Het water stonk en uit de doek kwam een zure lucht maar toch voelde Hendrik zich wat beter na de wasbeurt. Ze zal wel weer bij haar moeder of bij opoe zitten. Hoe kreeg hij haar daar bijtijds weg…
Hij liep de kelder uit en zag tot zijn grote schrik zijn vrouw stomdronken het huis van haar ouders komen. ‘Ha daar hebben we Henkie, heb je geld? Pa en moe willen nog wel een druppel.’
Woede schoot in hem omhoog. Hij sloeg zijn arm om haar heen en dwong haar zo mee naar huis. Rie strompelde naast hem en voort. ‘Hee Henkie, heb je centen meegebracht? Of moeten we weer rotte aardappelen vreten? Henkie, Henkie, Henkie, heb je nog wat te schenkie? zong ze lallend om vervolgens gillend van de lach om haar eigen liedje bijna over haar eigen benen te struikelen. Ze greep Hendrik bij zijn jas waardoor er een flinke scheur in de dunne stof kwam. ‘Kijk nou!’, riep ze, ‘mijn kapsoneshenkie met een gat in zijn jas. Komt dat zien, komt dat zien. Meneer Henk heb nu een jas in een gat. Ze lachte zo hard dat ze opnieuw bijna omviel. Hendrik moest zich beheersen om haar geen klap voor haar hoofd te geven. ‘Stil’, siste hij, ‘houd je bek, nu!’ Oh m’n Henkie is boos!’ Jende ze hem. ‘Hij zegt bek, mijn Henkie. Mag je dat wel zeggen Henkie, Henkie?’
Rie zwalkte alle kanten op en Hendrik moest haar nu met beide armen om haar schouders vasthouden om haar de goede richting op te sturen. Ze hing achterover tegen hem aan en plotsklaps begon ze te braken. Hendrik wendde zijn hoofd af en hield zijn adem in om de zure dranklucht niet te hoeven ruiken. Haar omslagdoek viel in het braaksel en ineens begon Rie te huilen. ‘Mijn mooie doek! Die heb ik van m’n opoe gehad, jammerde ze en probeerde de doek te pakken maar viel voorover. Hendrik kon haar niet meer tegenhouden. In haar eigen braaksel lag ze te huilen om haar doek.
‘Rie, Rie, Rie je maakt het wel weer erg bont’, hoorde Hendrik naast zich zeggen. Het was Sijmen, de broer van Rie. ‘Kom Rietje, we brengen je naar huis.’ Sijmen pakte de doek op en hield hem met een vies gezicht bij een punt vast.
Hangend tussen de twee mannen in, sleepten ze Rie de kelder door naar het binnenplaatsje. Daar probeerden ze haar voorzichtig tegen de muur te zetten. Rie zakte onmiddellijk door haar benen en plofte op de stoep. Klagend zat ze voor zich uit te jammeren, duidelijk niet meer wetend wat ze deed en waar ze was. Hendrik doopte de doek in het water en wrong hem uit boven Rie’s hoofd. Rie begon te vloeken en te schreeuwen maar Hendrik duwde de doek in haar gezicht en veegde ruw haar gezicht schoon om daarna haar kleren schoon te wrijven.
Haar schort zat vol met braaksel. Hendrik verwonderde zich over de hoeveelheid, zoveel hadden ze niet te eten de laatste tijd.
Sijmen hielp Hendrik om het schort af te doen, Rie stribbelde hevig tegen. Daarna namen ze haar weer tussen zich in en liepen de kelder in om haar daar op het bed te leggen.
Hendrik ademde zwaar, de inspanning had hem erg benauwd gemaakt. Sijmen keek hem bezorgd aan. Die man is zwaar ziek dacht hij. Hij wist dat Hendrik het zwaar had met zijn zuster. Hij kon ze nu maar beter alleen laten en stak zijn hand op ten afscheid, maar Hendrik gebaarde hem te blijven en mee te gaan naar de binnenplaats. Sijmen pakte de twee krukken en liep achter Hendrik aan.
‘Je moet haar kort houden’ zei hij. Het is een helleveeg, altijd al geweest. Ze denkt aan niemand behalve aan zichzelf. Ze was niet voor niets nog steeds niet getrouwd. Iedereen kende haar hier en alle kerels renden liever weg dan met haar aan te pappen.’
Hendrik hapte nog naar adem. ‘Gaan weg’, wist hij er met moeite uit te brengen, ‘Frederiksoord, Ammeshoff geregeld.’ Verrast keek Sijmen hem aan. ‘Je hebt gelijk Henk, ik zou ook bij haar weglopen. Dit is een verschrikking. Maar wat zei je nou? Frederiksoord? Dat is toch die kolonie? Je pakt het wel gelijk goed aan, daar komt ze je niet achterna.’
‘Nee, schudde Hendrik, ‘Rie mee, morgen nuchter, Ammeshoff, praten.’
‘Kerel je bent gek!’ riep Sijmen. ‘Rie mee naar de kolonie? Dat gaat nooit goed.’
‘Jawel, daar geen jenever, niets! stamelde Hendrik. ‘Is goed, twee kinderen ook.’
Sijmen plofte met zijn rug tegen de muur en keek Hendrik verbijsterd aan. ‘Rie en jij én twee kinderen? Hoe krijg je het in je kop man. Rie en kinderen dat is water en vuur. Die krijgen geen leven bij haar.’
Hendrik knikte heftig. ‘Is heel goed, ze moet wel. Hier niets meer. Laatste kans.’
Sijmen begon te lachen. ‘Hendrik, je verbaast me steeds weer. Wacht ik haal Greetje, dan kan jij ondertussen op adem komen.
‘Neem kruk mee.’ knikte Hendrik.
Even later zaten Hendrik, Sijmen en zijn vrouw Greetje op de binnenplaats. Hendrik vertelde wat hij van Ammeshoff gehoord had en dat hij morgen naar zijn kantoor moest komen met Rie. Rie wist nog van niets en hij wist niet hoe hij het aan moest pakken. Als ze vannacht wakker werd had je grote kans dat ze weer het huis uit glipte. En nu had ze haar omslagdoek en schort ook nog besmeurd.
Kordaat besliste Greetje dat Sijmen de nacht bij Hendrik zou blijven. Ze zouden om beurten waken of wie weet kon Hendrik wel voorlezen uit een van zijn boeken, dan kwam zij er ook bij zitten.
Greetje zou ook voor schoon goed zorgen.
Hendrik voelde langzaam de spanning van zich af glijden. Morgen zou het in ieder geval wel lukken en de rest zou hij later wel weer zien.
Greetje nam de vuile kleding mee en kwam even later terug met een kaars en een pannetje eten voor Hendrik. Deze schrokte het naar binnen en na de warme maaltijd voelde hij warmte en optimisme in zijn lijf terugkeren. ‘Het zal allemaal wel goed komen. Rie is ook de kwaadste niet’ zei hij.
Waarop Sijmen en Greetje diep zuchtten. Hendrik bleef een aparte.
Totaal 7123 woorden
3 Jan
Jan
De pastoor riep Jan die angstig dichterbij kwam. Wat zou er nu weer zijn? De jongen stond met de jute zak vol kolen op zijn nek op de binnenplaats. Jan wist zeker dat hij niets gedaan had, daar was hij ’s avonds veel te moe voor. Na een lange dag hard werken en eten en daarna nog de jongere kinderen helpen was meer dan genoeg.
Jan’s ogen lichtte helder op in zijn verder zwart besmeurde gezicht. Hij keek de pastoor onderzoekend aan. Wat zou hij te zeggen hebben?
‘Jan, ga je opknappen, er is bezoek voor je. Trek je zondagse goed aan en houd je hoofd onder de pomp, ik wil niet dat er nog ergens kolengruis te zien is.’
Jan slofte naar de pomp, trok zijn buis uit en pompte het water op. Het water was ijskoud. Na diep adem te hebben gehaald stopte hij z’n hoofd onder de koude straal. Zijn hoofdhuid prikte, zijn wangen tintelden. Inwendig vervloekte hij de pastoor. Die kreeg ’s ochtends warm water.
‘Je handen moeten ook brandschoon zijn’, zei de pastoor. ‘Hier heb je een borstel, schuur je handen tot er geen zwart te zien meer is’. Jan schrobde en boende maar het vuil zat zo diep in z’n huid dat alles vuil bleef lijken. ‘Harder schrobben! En een beetje sneller’, schreeuwde de pastoor en gaf hem een klap voor z’n hoofd. ‘Maak ons niet ten schande.’
Eindelijk was de pastoor min of meer tevreden. Hij werd naar boven gestuurd in zijn onderhemd en moest daar zijn zondagse goed aantrekken en dan naar de pastorie komen. Gelaten liet Jan alles over zich heen gaan. Welke rotklus zou de pastoor nu weer bedacht hebben? Hij kende die bezoeken, er zou wel weer iemand zijn die hem wilde lenen om te komen werken. Als hij maar niet weer die stinkende huiden hoefde schoon te maken. Als hij aan die lucht dacht werd hij al misselijk, ze stonken nog erger dan de grachten waar hij vaak moest helpen bij het uitladen van de schepen..
Eenmaal in de pastorie werd hij naar de mooie kamer gebracht. Daar zat de pastoor met een voor Jan onbekende man. Dit is meneer Drevel, hij is een commissielid van de Maatschappij voor Weldadigheid. Op voorspraak van meneer Assenhoff ben jij uitgekozen als kandidaat om mee te gaan naar Frederiksoord. Binnenkort verlaat je dit weeshuis en je reist samen met meneer Rouweneel naar Amsterdam. Er zal nog een wees met je meegaan maar dan van het vrouwelijk geslacht. En nu beantwoordt je netjes al meneer Drevels vragen, begrepen?’
Jan had verbaasd het verhaal aangehoord en het enige wat door zijn hoofd ging was dat hij eindelijk weg ging. Hoe vaak had hij daar niet van gedroomd. Was het echt zo?
De heer Drevel schraapte zijn keel en plaatste zijn vingertoppen tegen elkaar. Met zalvende stem sprak hij de jongen toe. Dat hij het geluk had gekozen te zijn, hoezeer het hem ook speet dat andere kinderen dit geluk niet ten deel zou vallen. Dat hij een heuse vader en moeder en zus zou krijgen en een nette woning. Zijn nieuwe ouders konden zijn kracht goed gebruiken om hen te helpen op het land en om het huis. Hij zou voldoende te eten hebben met elke dag vlees en het warm en gerieflijk hebben. De kachel zou altijd branden.
Jan hoorde dit alles aan met groeiende verbazing. Hij geloofde het niet. Na de steeds weer valse beloften van de volwassenen om hem heen geloofde hij niets en niemand meer.
De man vroeg hem allerlei dingen, of hij vaak ziek was, of hij goede at, goed sliep, hoe lang hij al werkte en wat hij allemaal voor werk gedaan had. Hij moest zich uitkleden en de man bevoelde zijn schouders, nek, armen, keek in zijn broek en mond. Jan moest net doen alsof hij moest hoesten en nog veel meer. Eindelijk was de man klaar en knikte, Jan was geschikt bevonden.
‘Wat is je achternaam jongen?’ Vroeg Drevel. Jan wist niet waar hij het over had. Achternaam?
Hij heette gewoon Jan.
‘Nou, kom op, wat is je achternaam?’
De pastoor kwam tussenbeide en vertelde dat Jan te vondeling was gelegd voor het weeshuis. Voor het gemak hadden ze hem maar Jan Janssen genoemd. Met dubbel s omdat een ander vondelingetje al Jan Jansen was genoemd. ‘Het is al lastig genoeg om die kinderen een naam te geven’ mopperde hij.
Drevel vertelde dat Jan binnen drie weken zou vertrekken vanaf de Veerkade. Die wist hij toch wel te vinden? Van daar uit zou hij samen met Elizabeth en de heer Rouweneel naar Amsterdam reizen waar hij zijn nieuwe ouders zou ontmoeten. Gevieren zouden ze verder reizen per boot over het IJsselmeer naar zijn nieuwe woonplaats. Had Jan het allemaal begrepen? Jan knikte. Hij had het heel goed begrepen. Eindelijk weg bij de paters en de pastoor die hem elke keer opnieuw uitlachten, sloegen, vernederden.
‘O ja, jongen’ vervolgde Drevel, je krijgt daar na je werk op het land les in lezen en schrijven, ik neem aan dat je die vaardigheid niet beheerst? Jan begreep hem niet helemaal en knikte maar.
‘Wat nou jongen, kan je wel lezen en schrijven? Nee, een klein beetje maar, zei Jan.
‘Mooi’, Drevel stond op en tikte met zijn handschoen tegen Jans wang, ‘wees een brave oppassende jongen en je zal het goed hebben daar, zo niet dan word je weer terug naar hier gestuurd.’
‘God helpe ons om dat te voorkomen’ mompelde de pastoor. Kom Jan, je kunt gaan
Jan bedankt meneer Drevel en kleedde zich weer om zodat hij verder kon gaan met zijn werk. Even later voegde de heer Drevel zich bij hem en vroeg hem of het hem aanstond te vertrekken. Schichtig keek Jan om zich heen, de pastoor zou nooit willen dat hij met meneer Drevel praatte. De man zag zijn schrik en verzekerde hem dat hij de pastoor toestemming had gevraagd Jan nog even persoonlijk te spreken. Jan haalde opgelucht adem maar durfde nauwelijks iets te zeggen.
Nou jongen, geef eens antwoord maande Drevel hem aan.
Jan mompelde dat het hem wel goed leek om daar naartoe te gaan. Verder durfde hij niets te zeggen.
Drevel voelde een steek van medelijden door zich heen gaan. De jongen leek hem zeer geschikt, hij was sterk en gezond, maar stug en kortaf. Wat zou zo’n kind allemaal meegemaakt hebben vroeg hij zich af om nu al zo argwanend te zijn. Het leek bijna een volwassen man in zijn doen en laten. Het zou goed voor hem zijn uit deze sfeer te raken. Wie weet wat de toekomst deze jongen nog zou brengen, het scheen hem toe dat er een gezond stel hersens in zat.
Met meer hartelijkheid dan hij getoond had in de pronkkamer, nam hij afscheid van de jongen. Jan keek hem na en laadde fluitend de zak met kolen op zijn nek.
De pastoor riep Jan die angstig dichterbij kwam. Wat zou er nu weer zijn? De jongen stond met de jute zak vol kolen op zijn nek op de binnenplaats. Jan wist zeker dat hij niets gedaan had, daar was hij ’s avonds veel te moe voor. Na een lange dag hard werken en eten en daarna nog de jongere kinderen helpen was meer dan genoeg.
Jan’s ogen lichtte helder op in zijn verder zwart besmeurde gezicht. Hij keek de pastoor onderzoekend aan. Wat zou hij te zeggen hebben?
‘Jan, ga je opknappen, er is bezoek voor je. Trek je zondagse goed aan en houd je hoofd onder de pomp, ik wil niet dat er nog ergens kolengruis te zien is.’
Jan slofte naar de pomp, trok zijn buis uit en pompte het water op. Het water was ijskoud. Na diep adem te hebben gehaald stopte hij z’n hoofd onder de koude straal. Zijn hoofdhuid prikte, zijn wangen tintelden. Inwendig vervloekte hij de pastoor. Die kreeg ’s ochtends warm water.
‘Je handen moeten ook brandschoon zijn’, zei de pastoor. ‘Hier heb je een borstel, schuur je handen tot er geen zwart te zien meer is’. Jan schrobde en boende maar het vuil zat zo diep in z’n huid dat alles vuil bleef lijken. ‘Harder schrobben! En een beetje sneller’, schreeuwde de pastoor en gaf hem een klap voor z’n hoofd. ‘Maak ons niet ten schande.’
Eindelijk was de pastoor min of meer tevreden. Hij werd naar boven gestuurd in zijn onderhemd en moest daar zijn zondagse goed aantrekken en dan naar de pastorie komen. Gelaten liet Jan alles over zich heen gaan. Welke rotklus zou de pastoor nu weer bedacht hebben? Hij kende die bezoeken, er zou wel weer iemand zijn die hem wilde lenen om te komen werken. Als hij maar niet weer die stinkende huiden hoefde schoon te maken. Als hij aan die lucht dacht werd hij al misselijk, ze stonken nog erger dan de grachten waar hij vaak moest helpen bij het uitladen van de schepen..
Eenmaal in de pastorie werd hij naar de mooie kamer gebracht. Daar zat de pastoor met een voor Jan onbekende man. Dit is meneer Drevel, hij is een commissielid van de Maatschappij voor Weldadigheid. Op voorspraak van meneer Assenhoff ben jij uitgekozen als kandidaat om mee te gaan naar Frederiksoord. Binnenkort verlaat je dit weeshuis en je reist samen met meneer Rouweneel naar Amsterdam. Er zal nog een wees met je meegaan maar dan van het vrouwelijk geslacht. En nu beantwoordt je netjes al meneer Drevels vragen, begrepen?’
Jan had verbaasd het verhaal aangehoord en het enige wat door zijn hoofd ging was dat hij eindelijk weg ging. Hoe vaak had hij daar niet van gedroomd. Was het echt zo?
De heer Drevel schraapte zijn keel en plaatste zijn vingertoppen tegen elkaar. Met zalvende stem sprak hij de jongen toe. Dat hij het geluk had gekozen te zijn, hoezeer het hem ook speet dat andere kinderen dit geluk niet ten deel zou vallen. Dat hij een heuse vader en moeder en zus zou krijgen en een nette woning. Zijn nieuwe ouders konden zijn kracht goed gebruiken om hen te helpen op het land en om het huis. Hij zou voldoende te eten hebben met elke dag vlees en het warm en gerieflijk hebben. De kachel zou altijd branden.
Jan hoorde dit alles aan met groeiende verbazing. Hij geloofde het niet. Na de steeds weer valse beloften van de volwassenen om hem heen geloofde hij niets en niemand meer.
De man vroeg hem allerlei dingen, of hij vaak ziek was, of hij goede at, goed sliep, hoe lang hij al werkte en wat hij allemaal voor werk gedaan had. Hij moest zich uitkleden en de man bevoelde zijn schouders, nek, armen, keek in zijn broek en mond. Jan moest net doen alsof hij moest hoesten en nog veel meer. Eindelijk was de man klaar en knikte, Jan was geschikt bevonden.
‘Wat is je achternaam jongen?’ Vroeg Drevel. Jan wist niet waar hij het over had. Achternaam?
Hij heette gewoon Jan.
‘Nou, kom op, wat is je achternaam?’
De pastoor kwam tussenbeide en vertelde dat Jan te vondeling was gelegd voor het weeshuis. Voor het gemak hadden ze hem maar Jan Janssen genoemd. Met dubbel s omdat een ander vondelingetje al Jan Jansen was genoemd. ‘Het is al lastig genoeg om die kinderen een naam te geven’ mopperde hij.
Drevel vertelde dat Jan binnen drie weken zou vertrekken vanaf de Veerkade. Die wist hij toch wel te vinden? Van daar uit zou hij samen met Elizabeth en de heer Rouweneel naar Amsterdam reizen waar hij zijn nieuwe ouders zou ontmoeten. Gevieren zouden ze verder reizen per boot over het IJsselmeer naar zijn nieuwe woonplaats. Had Jan het allemaal begrepen? Jan knikte. Hij had het heel goed begrepen. Eindelijk weg bij de paters en de pastoor die hem elke keer opnieuw uitlachten, sloegen, vernederden.
‘O ja, jongen’ vervolgde Drevel, je krijgt daar na je werk op het land les in lezen en schrijven, ik neem aan dat je die vaardigheid niet beheerst? Jan begreep hem niet helemaal en knikte maar.
‘Wat nou jongen, kan je wel lezen en schrijven? Nee, een klein beetje maar, zei Jan.
‘Mooi’, Drevel stond op en tikte met zijn handschoen tegen Jans wang, ‘wees een brave oppassende jongen en je zal het goed hebben daar, zo niet dan word je weer terug naar hier gestuurd.’
‘God helpe ons om dat te voorkomen’ mompelde de pastoor. Kom Jan, je kunt gaan
Jan bedankt meneer Drevel en kleedde zich weer om zodat hij verder kon gaan met zijn werk. Even later voegde de heer Drevel zich bij hem en vroeg hem of het hem aanstond te vertrekken. Schichtig keek Jan om zich heen, de pastoor zou nooit willen dat hij met meneer Drevel praatte. De man zag zijn schrik en verzekerde hem dat hij de pastoor toestemming had gevraagd Jan nog even persoonlijk te spreken. Jan haalde opgelucht adem maar durfde nauwelijks iets te zeggen.
Nou jongen, geef eens antwoord maande Drevel hem aan.
Jan mompelde dat het hem wel goed leek om daar naartoe te gaan. Verder durfde hij niets te zeggen.
Drevel voelde een steek van medelijden door zich heen gaan. De jongen leek hem zeer geschikt, hij was sterk en gezond, maar stug en kortaf. Wat zou zo’n kind allemaal meegemaakt hebben vroeg hij zich af om nu al zo argwanend te zijn. Het leek bijna een volwassen man in zijn doen en laten. Het zou goed voor hem zijn uit deze sfeer te raken. Wie weet wat de toekomst deze jongen nog zou brengen, het scheen hem toe dat er een gezond stel hersens in zat.
Met meer hartelijkheid dan hij getoond had in de pronkkamer, nam hij afscheid van de jongen. Jan keek hem na en laadde fluitend de zak met kolen op zijn nek.
dinsdag 4 november 2008
2 Lies
Ze ploften elk op een bed en begonnen te giechelen. ‘Onmiddellijk hier komen!’ brouwde Jeltje Krakeel na. 'O Lies, je kan er nu wel op rekenen dat je niet meer naar Frederiksoord gaat. Die man zal je veel te brutaal vinden.' Maar Lies bekeek het anders. ‘Nu moet ik juist daar naar toe, let maar op. Krakeel zal daar wel voor zorgen.’O Jeltje ik wil daar helemaal niet naartoe. Hier ken ik iedereen en daar moet ik bij heel vreemde mensen gaan wonen. Ik moet iets verzinnen om niet te hoeven gaan.’
Ze hoorden voetstappen in de gang en alle twee doken ze gelijk onder een bed. Maar ze waren niet snel genoeg. Krakeel had hen al gezien. Ze trok Lies onder het bed vandaan en hield haar bovenarm in een ijzeren greep. ‘Meekomen jij.’ Ze sleurde Lies de gang door, naar haar kamer. Rouweneel was er nog. Zag Lies het goed? Lachte hij?
Rouweneel kuchte en hield even zijn gehandschoende hand voor zijn mond. ‘Lies zei hij, je gaat nu met mij mee. We gaan nieuwe kleren voor je laten maken. Zo kan je niet op reis’ Hij bekeek haar van top tot teen. Van haar rafelige, smoezelige witte muts tot de oude afgetrapte schoenen. Lies was altijd trots geweest dat zij schoenen had. De meeste kinderen in het weeshuis liepen op klompen. Maar onder de blik van de keurige man zag ze ineens zichzelf en schaamde zich voor haar uiterlijk. Maar zij kon daar ook niets aan doen. -Het weeshuis was karig met het verstrekken van kleding.- Alles werd steeds opnieuw opgelapt. Er was geen gat in haar kleding te bespeuren maar overal zaten stopplekken en opgezette stukjes stof uit oude kleren. Niets werd zomaar weggegooid.
‘Ik wil niet op reis, ik wil graag hier blijven!’ zei Lies koppig. Ik hoef geen nieuwe kleren…'
Ze voelde de hand van Krakeel nog vaster om haar arm knijpen. ‘Jij hebt niets te willen, jij gaat! Begrepen? Snauwde Krakeel. Ik loop met je mee naar de pomp, jij wast je gezicht en dan ga je met deze meneer mee. En waag het niet om kuren te vertonen.'
Krakeel trok haar mee naar de kleine binnenplaats waar een vuile, natte doek hing. Eigenhandig veegde ze het gezicht van Lies schoon en sleurde haar weer mee naar Rouweneel.
‘Normaal gesproken is het een erg gezeglijk meisje’ zei ze uiterst vriendelijk tegen hem. ‘Ik ken haar zo niet, het zal de schok van het goede nieuws wel zijn.’
‘Ongetwijfeld', sprak de heer Rouweneel. 'Maar kom kind, we gaan, de koets staat voor de deur.' Lies zette grote ogen op. Zij in een koets? Dat was nog nooit gebeurd.
Ze werd door Krakeel persoonlijk naar buiten begeleidt. Er was geen ontkomen aan. De man stapte in en reikte zijn hand om Lies naar binnen te helpen. De koets schommelde licht heen en weer en Lies liet zich in de kussens zakken die van rood fluweel waren en heel zacht. De paarden zetten zich in beweging en daar ging ze. Ze giechelde want de koets schommelde en wiegelde. De man keek haar vriendelijk aan. ‘Heb je nog nooit in een koets gezeten?’
'Nee' zei Lies schuchter en schudde haar hoofd. 'Ik vind het wel leuk en het is zo zacht, ze streek voorzichtig met één vinger over het fluweel.'
‘Vind je het zo aangenaam in het weeshuis, dat je wil blijven?’ Lies voelde haar gezicht rood worden, wat moest ze nu zeggen? 'Ja, nee, ja ik vind het wel en niet leuk. Ik kan altijd lachen met Jeltje, zij is gelijk met mij in het weeshuis gekomen, maar Krakeel is niet leuk. Ik mag niets van haar, zo gauw ik iets doe dan begint ze te schreeuwen en krijg ik straf. Vaak word ik opgesloten of moet ik alle aardappelen schillen. Maar het maakt mij niets uit hoor, ik ben die straf wel gewend.’
‘Juffrouw Krakeel?’ vroeg de man.
O, wat had ze gezegd? Verschrikt sloeg ze haar hand voor haar mond.
De man begon heel hard te lachen. ‘Zal ik je een geheim vertellen? Ik noem haar ook zo! maar dat is ons geheim.’ Lies begon te grinniken en even later zaten ze alle twee hardop te lachen.
Toen ze uitgelachen waren durfde Lies te vragen wat Frederiksoord was en of het ver weg was, en of ze Jeltje niet mee kon nemen. De man werd gelijk ernstig en vertelde dat het écht niet kon dat Jeltje erbij kwam. Hij legde haar uit dat heel veel mensen in Nederland heel erg arm waren en haast niets te eten hadden. Meneer Bosch vond dit zo erg dat hij daarom huizen had gebouwd voor die mensen. Hij wilde dat ze naar Frederiksoord konden gaan, zodat ze het beter kregen. In Frederiksoord kwamen alleen mensen die netjes en goed opgevoed waren. Allemaal mensen die er niets aan konden doen dat ze arm waren geworden.
‘Heeft meneer Bosch zwart haar en krullen en heel mooie ogen’? Vroeg Lies.
Weer schaterde Rouweneel. ‘Ja hij heeft inderdaad dat soort haar maar die heel mooie ogen zijn me niet opgevallen’.
‘Jeltje zei dat’, vertelde ze, ‘die heeft meneer Bosch bij de pastoor gezien. Maar waarom ben ik dan uitgekozen? Ik heb toch geen vader en moeder meer en Jeltje vertelde dat alleen mensen mét kinderen daar naartoe gingen.’
Meneer Rouweneel vertelde dat er ook erg arme mensen waren zonder kinderen en dat ze die mensen ook een kans wilden geven. Dus hadden ze aan de weeshuizen gevraagd of zij geschikte kinderen hadden.
‘Maar Krakeel zegt altijd dat ik niet deug en voor galg en rad zal opgroeien, waarom ga ik dan daar naartoe?’
‘Misschien vindt ze je wel heel erg lastig’. zei Rouweneel lachend.
Lies knikte; ‘Dat dacht zij ook vertelde ze, dat ze daarom weg moest. Maar ze kon er niets aan doen, elke keer zei ze dingen die ze niet moest zeggen of deed ze dingen die ze niet mocht doen, het ging vanzelf.’
‘Ben jij echt al zestien?’ vroeg Rouweneel.
Hij had Lies bekeken en het lange, magere meisje had niets van een vrouw weg. Ze had de vormen, het uiterlijk en het gedrag van een kind. Hij kende meisjes van haar leeftijd die bijna volwassen vrouwen leken en alle trucjes kenden om een man in te palmen. Hij genoot van de onbevangenheid van Lies en het totale gebrek aan maniertjes. Zou ze zó klein gehouden zijn dat ze eerder een kind van twaalf leek dan zestien?
Lies vond het maar een vreemde vraag.
‘Ja natuurlijk ben ik zestien, dat kunt u toch aan mijn kleren zien, tot tien jaar dragen meisjes blauwe kleren, tot vijftien jaar grijze kleren en als je ouder bent draag je ook grijze kleren en een muts. Dan mag je niet meer zonder muts lopen. Ze streek over het rode fluweel, en dacht ineens aan een jurk van dat spul. Maar gauw duwde ze deze gedachten weg, iets begeren was een grote zonde zei Krakeel. Lies zuchtte eens diep.
‘Kom je vaak buiten? Vroeg Rouweneel omdat hij wilde weten hoe het kwam dat dit kind zo wereldvreemd leek. Of zou ze niet helemaal goed in haar hoofd zijn?
‘Jeltje wel, zij gaat elke dag weg naar de pastorie, ze werkt in de keuken en moet de kachels aanmaken en schoonmaken. Ze heeft hele dikke handen van het water maar heel soms krijgt ze roggebrood mee en dat is fijn. Dan krijg ik altijd van haar ook een stuk. Maar ik moet in het weeshuis helpen en mag alleen naar buiten als we naar de kerk gaan, we mogen dan met niemand praten, ook met elkaar niet en we moeten in een rij lopen. Er zijn vaak nare mannen onderweg die gekke dingen zeggen tegen ons, maar Krakeel zegt dat die mannen echte duivels zijn en dat we nooit wat tegen ze mogen zeggen en nooit stil mogen staan om met ze te praten. Soms is dat wel moeilijk en eigenlijk snap ik niet dat ik nu wel met u mee mag en met u mag praten.'
‘Die mannen op straat zijn andere mannen, mevrouw Krackmans heeft gelijk, ook al zal je dit niet leuk vinden om te horen. Die mannen denken dat ze alles met vrouwen mogen doen, ze slaan ze en doen rare dingen met ze. Beloof me dat je deze wijze les van Krakeel onthoudt’
Lies knikte maar en hield haar vingers stiekem gekruist. Hoe kon ze dat nou beloven? Ze praatte ook met meneer pastoor en met Wiegert die de poepdozen kwam leegmaken. Die deden nooit raar.
‘Maar waar is Frederiksoord? Kan ik Jeltje nog wel zien?’
‘Dat zal moeilijk worden. De kolonie is ver weg van hier. Maar daar gaan ook heel veel kinderen naar toe, je krijgt daar vast nieuwe vriendinnen. Als je eenmaal kan schrijven dan kan je Jeltje een brief sturen dan kan meneer pastoor die misschien wel voorlezen. En dan kan zij jou terugschrijven, daar wil vast wel iemand haar bij helpen.
‘Ik kan al wel een beetje schrijven’, zei Lies trots, ‘maar toen ik twaalf werd moest ik werken in de keuken en de naaikamer. Kijk, al deze lapjes heb ik zelf in mijn jurk gezet.’
Maar je moest toch naar school voordat je ging werken?
‘Ja, maar mevrouw Krakeel riep me altijd weg, net als Jeltje. Dat komt omdat wij helemaal geen familie
meer hebben. De andere kinderen hebben nog tantes en ooms of een grootmoeder en dan is Krakeel bang dat ze daar last mee krijgt. Ze zegt altijd dat ik toch niets hoef te lezen later. Ik word toch dienstmeid of moet kleren repareren voor de deftige dames.’
En die meneer Rigeau? Is hij aardig?
Ik ken hem heel goed, de stakker, hij is geboren in een mooi, groot huis en zijn vader en moeder hadden veel geld. Zij zaten in de handel en verdienden goed. Maar toen zijn ouders dood gingen en de handel in elkaar stortte werd hij steeds armer. Zijn eerste vrouw werd heel ziek en dat kostte ook veel geld. Hij wilde haar helpen en moest steeds de dokter betalen. Toch ging ze dood. Daarna trouwde hij weer maar ook die vrouw werd ziek en ging dood. Doordat hij aldoor bij zijn vrouw wilde zijn en geen aandacht meer voor zijn werk had verdiende hij steeds minder. Zijn klanten zochten op het laatst andere handelaren op. Hij moest steeds maar verhuizen naar een kleiner huis omdat hij de huur niet meer kon betalen en nu heeft hij helemaal geen geld meer en woont hij in een heel klein keldertje. Doordat hij toch wel veel mensen uit de handel kende lieten ze hem de timmerman helpen die werkte op de schepen van meneer Assenhoff. Het bleek dat hij heel goed kon timmeren en omdat hij dat zo goed kon vroeg meneer Assenhoff of hij een paar van zijn schepen wilde onderhouden. Maar ja, die schepen liggen niet altijd in de haven en als er geen werk was dan moest meneer Rigardeau toch aan eten zien te komen. Hij moest dan naar het armenhuis om eten te halen. Meneer Assenhoff vond dat zo erg dat hij er voor gezorgd heeft dat Rigardeau naar Frederiksoord kan met zijn nieuwe vrouw. Maar meneer Bosch, de baas van Frederiksoord, wil mensen mét kinderen daar zodat die kinderen mee kunnen helpen en daarom ga jij mee. Er komt overigens nog een jongen bij jullie wonen, hij is vijftien jaar en heet Jan en komt ook uit een weeshuis van hier in Den Haag.’
‘Maar waarom zijn er dan geen kinderen in Amsterdam gezocht?’
‘Het weeshuis in Amsterdam wilde dat niet, het gaat er daar heel anders aan toe dan hier. Veel rijke burgers hebben meebetaald om de kinderen een vak te laten leren, ze hebben ook allemaal nette en schone kleren en goede schoenen. Nu willen die burgers niet dat deze kinderen, waar zij voor betaald hebben, ergens anders naar toe gaan. Ze willen die kinderen in Amsterdam houden.’
‘Nou dan had ik ook maar beter naar het weeshuis in Amsterdam gebracht kunnen worden.’ Mopperde Lies.’
Rouwvoet lachte even maar werd toen weer ernstig. ‘Meneer Rigardeau is een erg aardige man, je moet hem het niet lastig maken, hij heeft het erg moeilijk gehad. Ik weet zeker dat je hem heel aardig zal vinden. Als ik jou was dan zou ik blij zijn met de kans die je krijgt. Je weet toch zelf wel dat de meeste meisjes uit het weeshuis in het beste geval ergens dienstmeid worden en hun hele leven heel hard moeten werken. Wil je dat zo graag worden? Je zei al dat Jeltje hele dikke handen heeft, die krijg jij dan ook en nog erger, wil je dat? ’
‘Nee, schudde Lies. ‘en die Jan? Is hij ook aardig?’
‘Ik ken Jan niet, hij is door een priester opgegeven als kandidaat. Hij is vijftien jaar en zit in het jongensweeshuis, dat is alles wat ik weet.
Ze hoorden voetstappen in de gang en alle twee doken ze gelijk onder een bed. Maar ze waren niet snel genoeg. Krakeel had hen al gezien. Ze trok Lies onder het bed vandaan en hield haar bovenarm in een ijzeren greep. ‘Meekomen jij.’ Ze sleurde Lies de gang door, naar haar kamer. Rouweneel was er nog. Zag Lies het goed? Lachte hij?
Rouweneel kuchte en hield even zijn gehandschoende hand voor zijn mond. ‘Lies zei hij, je gaat nu met mij mee. We gaan nieuwe kleren voor je laten maken. Zo kan je niet op reis’ Hij bekeek haar van top tot teen. Van haar rafelige, smoezelige witte muts tot de oude afgetrapte schoenen. Lies was altijd trots geweest dat zij schoenen had. De meeste kinderen in het weeshuis liepen op klompen. Maar onder de blik van de keurige man zag ze ineens zichzelf en schaamde zich voor haar uiterlijk. Maar zij kon daar ook niets aan doen. -Het weeshuis was karig met het verstrekken van kleding.- Alles werd steeds opnieuw opgelapt. Er was geen gat in haar kleding te bespeuren maar overal zaten stopplekken en opgezette stukjes stof uit oude kleren. Niets werd zomaar weggegooid.
‘Ik wil niet op reis, ik wil graag hier blijven!’ zei Lies koppig. Ik hoef geen nieuwe kleren…'
Ze voelde de hand van Krakeel nog vaster om haar arm knijpen. ‘Jij hebt niets te willen, jij gaat! Begrepen? Snauwde Krakeel. Ik loop met je mee naar de pomp, jij wast je gezicht en dan ga je met deze meneer mee. En waag het niet om kuren te vertonen.'
Krakeel trok haar mee naar de kleine binnenplaats waar een vuile, natte doek hing. Eigenhandig veegde ze het gezicht van Lies schoon en sleurde haar weer mee naar Rouweneel.
‘Normaal gesproken is het een erg gezeglijk meisje’ zei ze uiterst vriendelijk tegen hem. ‘Ik ken haar zo niet, het zal de schok van het goede nieuws wel zijn.’
‘Ongetwijfeld', sprak de heer Rouweneel. 'Maar kom kind, we gaan, de koets staat voor de deur.' Lies zette grote ogen op. Zij in een koets? Dat was nog nooit gebeurd.
Ze werd door Krakeel persoonlijk naar buiten begeleidt. Er was geen ontkomen aan. De man stapte in en reikte zijn hand om Lies naar binnen te helpen. De koets schommelde licht heen en weer en Lies liet zich in de kussens zakken die van rood fluweel waren en heel zacht. De paarden zetten zich in beweging en daar ging ze. Ze giechelde want de koets schommelde en wiegelde. De man keek haar vriendelijk aan. ‘Heb je nog nooit in een koets gezeten?’
'Nee' zei Lies schuchter en schudde haar hoofd. 'Ik vind het wel leuk en het is zo zacht, ze streek voorzichtig met één vinger over het fluweel.'
‘Vind je het zo aangenaam in het weeshuis, dat je wil blijven?’ Lies voelde haar gezicht rood worden, wat moest ze nu zeggen? 'Ja, nee, ja ik vind het wel en niet leuk. Ik kan altijd lachen met Jeltje, zij is gelijk met mij in het weeshuis gekomen, maar Krakeel is niet leuk. Ik mag niets van haar, zo gauw ik iets doe dan begint ze te schreeuwen en krijg ik straf. Vaak word ik opgesloten of moet ik alle aardappelen schillen. Maar het maakt mij niets uit hoor, ik ben die straf wel gewend.’
‘Juffrouw Krakeel?’ vroeg de man.
O, wat had ze gezegd? Verschrikt sloeg ze haar hand voor haar mond.
De man begon heel hard te lachen. ‘Zal ik je een geheim vertellen? Ik noem haar ook zo! maar dat is ons geheim.’ Lies begon te grinniken en even later zaten ze alle twee hardop te lachen.
Toen ze uitgelachen waren durfde Lies te vragen wat Frederiksoord was en of het ver weg was, en of ze Jeltje niet mee kon nemen. De man werd gelijk ernstig en vertelde dat het écht niet kon dat Jeltje erbij kwam. Hij legde haar uit dat heel veel mensen in Nederland heel erg arm waren en haast niets te eten hadden. Meneer Bosch vond dit zo erg dat hij daarom huizen had gebouwd voor die mensen. Hij wilde dat ze naar Frederiksoord konden gaan, zodat ze het beter kregen. In Frederiksoord kwamen alleen mensen die netjes en goed opgevoed waren. Allemaal mensen die er niets aan konden doen dat ze arm waren geworden.
‘Heeft meneer Bosch zwart haar en krullen en heel mooie ogen’? Vroeg Lies.
Weer schaterde Rouweneel. ‘Ja hij heeft inderdaad dat soort haar maar die heel mooie ogen zijn me niet opgevallen’.
‘Jeltje zei dat’, vertelde ze, ‘die heeft meneer Bosch bij de pastoor gezien. Maar waarom ben ik dan uitgekozen? Ik heb toch geen vader en moeder meer en Jeltje vertelde dat alleen mensen mét kinderen daar naartoe gingen.’
Meneer Rouweneel vertelde dat er ook erg arme mensen waren zonder kinderen en dat ze die mensen ook een kans wilden geven. Dus hadden ze aan de weeshuizen gevraagd of zij geschikte kinderen hadden.
‘Maar Krakeel zegt altijd dat ik niet deug en voor galg en rad zal opgroeien, waarom ga ik dan daar naartoe?’
‘Misschien vindt ze je wel heel erg lastig’. zei Rouweneel lachend.
Lies knikte; ‘Dat dacht zij ook vertelde ze, dat ze daarom weg moest. Maar ze kon er niets aan doen, elke keer zei ze dingen die ze niet moest zeggen of deed ze dingen die ze niet mocht doen, het ging vanzelf.’
‘Ben jij echt al zestien?’ vroeg Rouweneel.
Hij had Lies bekeken en het lange, magere meisje had niets van een vrouw weg. Ze had de vormen, het uiterlijk en het gedrag van een kind. Hij kende meisjes van haar leeftijd die bijna volwassen vrouwen leken en alle trucjes kenden om een man in te palmen. Hij genoot van de onbevangenheid van Lies en het totale gebrek aan maniertjes. Zou ze zó klein gehouden zijn dat ze eerder een kind van twaalf leek dan zestien?
Lies vond het maar een vreemde vraag.
‘Ja natuurlijk ben ik zestien, dat kunt u toch aan mijn kleren zien, tot tien jaar dragen meisjes blauwe kleren, tot vijftien jaar grijze kleren en als je ouder bent draag je ook grijze kleren en een muts. Dan mag je niet meer zonder muts lopen. Ze streek over het rode fluweel, en dacht ineens aan een jurk van dat spul. Maar gauw duwde ze deze gedachten weg, iets begeren was een grote zonde zei Krakeel. Lies zuchtte eens diep.
‘Kom je vaak buiten? Vroeg Rouweneel omdat hij wilde weten hoe het kwam dat dit kind zo wereldvreemd leek. Of zou ze niet helemaal goed in haar hoofd zijn?
‘Jeltje wel, zij gaat elke dag weg naar de pastorie, ze werkt in de keuken en moet de kachels aanmaken en schoonmaken. Ze heeft hele dikke handen van het water maar heel soms krijgt ze roggebrood mee en dat is fijn. Dan krijg ik altijd van haar ook een stuk. Maar ik moet in het weeshuis helpen en mag alleen naar buiten als we naar de kerk gaan, we mogen dan met niemand praten, ook met elkaar niet en we moeten in een rij lopen. Er zijn vaak nare mannen onderweg die gekke dingen zeggen tegen ons, maar Krakeel zegt dat die mannen echte duivels zijn en dat we nooit wat tegen ze mogen zeggen en nooit stil mogen staan om met ze te praten. Soms is dat wel moeilijk en eigenlijk snap ik niet dat ik nu wel met u mee mag en met u mag praten.'
‘Die mannen op straat zijn andere mannen, mevrouw Krackmans heeft gelijk, ook al zal je dit niet leuk vinden om te horen. Die mannen denken dat ze alles met vrouwen mogen doen, ze slaan ze en doen rare dingen met ze. Beloof me dat je deze wijze les van Krakeel onthoudt’
Lies knikte maar en hield haar vingers stiekem gekruist. Hoe kon ze dat nou beloven? Ze praatte ook met meneer pastoor en met Wiegert die de poepdozen kwam leegmaken. Die deden nooit raar.
‘Maar waar is Frederiksoord? Kan ik Jeltje nog wel zien?’
‘Dat zal moeilijk worden. De kolonie is ver weg van hier. Maar daar gaan ook heel veel kinderen naar toe, je krijgt daar vast nieuwe vriendinnen. Als je eenmaal kan schrijven dan kan je Jeltje een brief sturen dan kan meneer pastoor die misschien wel voorlezen. En dan kan zij jou terugschrijven, daar wil vast wel iemand haar bij helpen.
‘Ik kan al wel een beetje schrijven’, zei Lies trots, ‘maar toen ik twaalf werd moest ik werken in de keuken en de naaikamer. Kijk, al deze lapjes heb ik zelf in mijn jurk gezet.’
Maar je moest toch naar school voordat je ging werken?
‘Ja, maar mevrouw Krakeel riep me altijd weg, net als Jeltje. Dat komt omdat wij helemaal geen familie
meer hebben. De andere kinderen hebben nog tantes en ooms of een grootmoeder en dan is Krakeel bang dat ze daar last mee krijgt. Ze zegt altijd dat ik toch niets hoef te lezen later. Ik word toch dienstmeid of moet kleren repareren voor de deftige dames.’
En die meneer Rigeau? Is hij aardig?
Ik ken hem heel goed, de stakker, hij is geboren in een mooi, groot huis en zijn vader en moeder hadden veel geld. Zij zaten in de handel en verdienden goed. Maar toen zijn ouders dood gingen en de handel in elkaar stortte werd hij steeds armer. Zijn eerste vrouw werd heel ziek en dat kostte ook veel geld. Hij wilde haar helpen en moest steeds de dokter betalen. Toch ging ze dood. Daarna trouwde hij weer maar ook die vrouw werd ziek en ging dood. Doordat hij aldoor bij zijn vrouw wilde zijn en geen aandacht meer voor zijn werk had verdiende hij steeds minder. Zijn klanten zochten op het laatst andere handelaren op. Hij moest steeds maar verhuizen naar een kleiner huis omdat hij de huur niet meer kon betalen en nu heeft hij helemaal geen geld meer en woont hij in een heel klein keldertje. Doordat hij toch wel veel mensen uit de handel kende lieten ze hem de timmerman helpen die werkte op de schepen van meneer Assenhoff. Het bleek dat hij heel goed kon timmeren en omdat hij dat zo goed kon vroeg meneer Assenhoff of hij een paar van zijn schepen wilde onderhouden. Maar ja, die schepen liggen niet altijd in de haven en als er geen werk was dan moest meneer Rigardeau toch aan eten zien te komen. Hij moest dan naar het armenhuis om eten te halen. Meneer Assenhoff vond dat zo erg dat hij er voor gezorgd heeft dat Rigardeau naar Frederiksoord kan met zijn nieuwe vrouw. Maar meneer Bosch, de baas van Frederiksoord, wil mensen mét kinderen daar zodat die kinderen mee kunnen helpen en daarom ga jij mee. Er komt overigens nog een jongen bij jullie wonen, hij is vijftien jaar en heet Jan en komt ook uit een weeshuis van hier in Den Haag.’
‘Maar waarom zijn er dan geen kinderen in Amsterdam gezocht?’
‘Het weeshuis in Amsterdam wilde dat niet, het gaat er daar heel anders aan toe dan hier. Veel rijke burgers hebben meebetaald om de kinderen een vak te laten leren, ze hebben ook allemaal nette en schone kleren en goede schoenen. Nu willen die burgers niet dat deze kinderen, waar zij voor betaald hebben, ergens anders naar toe gaan. Ze willen die kinderen in Amsterdam houden.’
‘Nou dan had ik ook maar beter naar het weeshuis in Amsterdam gebracht kunnen worden.’ Mopperde Lies.’
Rouwvoet lachte even maar werd toen weer ernstig. ‘Meneer Rigardeau is een erg aardige man, je moet hem het niet lastig maken, hij heeft het erg moeilijk gehad. Ik weet zeker dat je hem heel aardig zal vinden. Als ik jou was dan zou ik blij zijn met de kans die je krijgt. Je weet toch zelf wel dat de meeste meisjes uit het weeshuis in het beste geval ergens dienstmeid worden en hun hele leven heel hard moeten werken. Wil je dat zo graag worden? Je zei al dat Jeltje hele dikke handen heeft, die krijg jij dan ook en nog erger, wil je dat? ’
‘Nee, schudde Lies. ‘en die Jan? Is hij ook aardig?’
‘Ik ken Jan niet, hij is door een priester opgegeven als kandidaat. Hij is vijftien jaar en zit in het jongensweeshuis, dat is alles wat ik weet.
zondag 2 november 2008
1 Frederiksoord
Amsterdam, oktober 1818
‘Hendrik het is gelukt, je gaat naar Frederiksoord. Het heeft me veel overredingskracht gekost, je weet wel waarom. Je zal je vrouw in de gaten moeten houden. Ze zal moeten stoppen met de drank en flink aan moeten pakken. Haar huidige gedrag maakte dat ik de plaatsing er nauwelijks door kreeg.’
Hendrik kwam moeizaam overeind, hij moest steun zoeken aan de railing. Het duizelde hem. Kreeg hij alsnog een kans? Zou hij een nieuw leven kunnen beginnen? Hij hield de hamer stijf in zijn hand geklemd en spuugde de nagels die tussen zijn lippen zaten op het dek. Met zijn andere hand trok hij moeizaam de pet van zijn hoofd.
Schor prevelde hij: ‘Meneer Assenhoff, ik weet niet wat ik moet zeggen. Dank u. Ik ben u al zoveel dank verschuldigd, u heeft al zoveel voor mij gedaan. Zonder u was ik er waarschijnlijk niet eens meer.’
Assenhoff wuifde zijn dankbetuiging weg: ‘Aan jou ligt het ook niet, ik weet dat je doet wat je kan, en je bent een goed vakman. Wat dat betreft snijd ik in mijn eigen vingers. Aan jou wist ik wat ik had. Ik zal een nieuwe man moeten zoeken om de klussen op dit schip te klaren. Jij kent dit schip als geen ander, jij kent al haar kuren en weet haar zwakke plekken. Voor ik weer zo iemand vind. Maar…’ Zijn wijsvinger tikte op Hendriks borst, ’Je vrouw, houdt haar in de gaten, zij veroorzaakt steeds opnieuw problemen, zij is het die gemaakt heeft dat jij nu in deze situatie zit. Houdt de fles bij haar weg. En jij, zorg goed voor jezelf. Je krijgt daar een huis, kleding, een stuk land, en voldoende voedsel. Je zal het daar stukken beter krijgen dan hier. Laat haar dat niet van je afnemen.’
Bezorgd keek hij Hendrik aan: ‘Denk je dat je land kunt bewerken? Als je eenmaal de slag te pakken hebt dan is het niet zo zwaar meer, de frisse lucht zal je goed doen. Je weet dat ik er afgelopen zomer geweest ben en als herboren terugkwam. Jij zal je je daar veel beter voelen, je zal aansterken. Denk je eens in, een goede slaapplaats met dekens en een altijd warme kachel. Je zal weer vlees op je botten krijgen.’ Joviaal sloeg hij Hendrik op de schouder.
De magere, schonkige Hendrik schoot in een rochelende hoestbui. Gierend, naar adem snakkend trok hij langzamerhand weer bij. Even vroeg Assenhoff zich af of de man de reis en het leven daar wel zou aankunnen maar zijn onverwoestbare optimisme nam al snel weer de overhand. Het zou de man goeddoen. In gedachte zag hij Hendrik met een gezonde, frisse kleur voor zich. Een man die stevig op zijn benen zou staan, niet dit uitgeteerde mannetje meer zou zijn. Het vulde hem met vreugde.
‘Kom morgenochtend naar mijn kantoor dan zal ik je het contract laten lezen en vertellen met welk schip je vertrekt. Je kan toch lezen neem ik aan? Anders laat ik het voorlezen’.
Hendrik knikte, ja hij kon lezen, zijn vrouw niet.
‘Je vrouw moet meekomen, nuchter, ik zal met haar een duchtig woordje te bespreken hebben! Maar genoeg gepraat, aan het werk. Tot morgen!’ Met een brede zwaai nam hij afscheid. Even later zag Hendrik hem in de wachtende koets op de kade stappen en wegrijden. Moeizaam zakte hij weer op zijn knieën. Duizenden gedachten schoten door zijn hoofd. Zou hij Rie zo ver weten te krijgen? Zou ze eindelijk kunnen inzien dat het zo niet langer meer gaat. Hij begreep wel waarom ze zoveel dronk. Het leven was zwaar en er was amper eten. De drank schonk haar troost, dan kon ze lachen en grappen maken. Maar zou ze het willen? Weg uit haar buurt waar ze geboren en opgegroeid was. Waar ze iedereen kende. Alleen zou hij nooit daar naar toe kunnen gaan. Dan was de kans verkeken. Ze moest mee, desnoods kwaadschiks. Daar zouden ze opnieuw kunnen beginnen…
Den Haag, oktober 1818
‘Lies, je moet bij mevrouw ‘Krakeel’ komen! Meteen! Wat heb je nú weer gedaan?’
Jeltje keek lachend naar Lies. Heb je weer staan kletsen met de lantaarnopsteker? Of was je vanochtend niet op tijd?’
Lies wist het wel. Ze had gisteren dubbel soep gegeten, hoe vies het ook was. Neel kreeg het toch niet weg en zij had nog zo’n honger gehad. ‘Krakeel’ zal het wel weer gezien hebben, wat zou nu haar straf weer zijn? Ze haalde haar schouders op. Straf kon haar niet schelen.
Ze slenterde de gang door en klopte aan. ‘Entree’ hoorde ze Krakeel roepen. Lies onderdrukte een giechellach. ‘Zoo meisje’ hoorde ze haar alweer zeggen: Wat ik nu gezien heb stemt mij met droefenis. Je bent een beste meid maar die ondeugende trekjes zal je moeten onderdrukken. Je moet godsvruchtig, en gehoorzaam zijn en denk aan de drie b’s bekwaam, betrouwbaar en beschaafd. Hoe vaak moet ik je dat nu nog zeggen. Daarbij zou Krakeel haar bedroefd aankijken en haar hoofd schudden. Lies zuchtte en deed de deur open van de kamer. Maar deze keer liep alles heel anders.
Binnen zat een man en Krakeel sprong op en liep naar haar toe. Dag Elizabeth, zei ze heel vriendelijk, dit is mijnheer Rouweneel en hij heeft goed nieuws voor je. Zeg hem eens gedag.
Elizabeth boog licht door haar knieën en knikte naar de man. Dag meneer Rouweneel. Krakeel pakte haar bij haar schouders en duwde haar richting de stoel die langs de kant van de kamer stond. ‘Zo Elizabeth, luister nu maar eens goed naar meneer.’
Rouweneel schraapte zijn keel en stak van wal. Hij vertelde Lies dat zij naar Frederiksoord zou gaan. De Maatschappij voor weldadigheid had besloten enkele weeskinderen een nieuwe kans te geven. Mevrouw Krackmans had haar aangewezen als kandidaat. De man vertelde verder dat zij u bij meneer en mevrouw Rigardeau ingedeeld was, dat waren erg vriendelijke en zorgzame mensen. In Frederiksoord zou ze een vak leren en wel het weven en spinnen zodat zij zich later in de maatschappij zich staande zou kunnen houden. Ook zou zij in de avonduren leren lezen en schrijven. Ze zou in een goed huis komen te wonen en een twee stel ordentelijke kleren krijgen. Eén stel voor door de week en een stel voor de zondag opdat zij netjes de kerkgang kon maken. De frisse lucht en de opgewektheid van de mensen die in dit oord gingen wonen, de blijdschap van hen om de geboden kans, zou maken dat zij zeer door haar tevredenheid en geluk elke dag de Heere zou danken dat zij uitverkoren was om daar te mogen wonen.
Stralend keek Krakeel Lies aan, ‘Wel Elizabeth, wat zeg je me hiervan? Is het niet een zegen? Jij mag in dat wonderschone oord gaan wonen, jij hebt een geluk wat zelden iemand toebedeeld krijgt. Kom kind bedank meneer Rouweneel eens netjes.”
Elizabeth stond op en met haar ogen op de grond gericht mompelde ze haar bedankje. ‘Ach ze is zo verlegen’ glimlachte Krackmans. ‘En nu kan je weer gaan Elizabeth, morgenochtend krijg je je instructies en over enkele weken begint je nieuwe leven.’ Ze duwde Lies richting de deur en knikte het meisje vriendelijk toe. Tot morgen Elizabeth, ik zie je graag gelijk na het ontbijt.
Verdoofd liep Lies de gang in. Wat had die man gezegd? Ze ging weg? Wonen bij mensen die ze niet kende? Spinnen en weven, schrijven en lezen? Waar was Frederiksoord? Ze had er nog nooit over gehoord.
Au! , nijdig sloeg ze de hand weg die in haar arm kneep. Ze keek in de pretogen van Jeltje. ‘Ooo jij bent even kwaad, lachte Jeltje. Was ze weer zo erg?’ Ze duwde haar haar omhoog en met de stem van Krakeel riep ze: ‘Elizabeth je bent een lief meisje, maar wel een beetje lui.’ Maar toen Lies alleen maar een flauw glimlachje toonde hield ze in. ‘Wat is er gebeurd? Je doet zo raar.’
‘Het was ook heel raar, er zat een man en die vertelde dat ik naar Frederiksoord ga, ik ga wonen bij meneer en mevrouw Rigeau of zoiets. Ik had heel veel geluk zei Krakeel. Ze wil me gewoon kwijt.’
‘Frederiksoord zei je? Vroeg Jeltje. Daar heb ik wel eens over gehoord, laat me even nadenken. Wat was dat ook alweer. Ze liep heen en weer door de gang. Ineens hield ze haar pas in. ‘Ik weet het weer! Dat is de kolonie! Ik was bij meneer pastoor aan het werk en hij zat met een man te praten over Frederiksoord. Die man vertelde dat hij een stuk land had gekocht en daar huizen gebouwd had voor arme mensen. Hij vroeg of meneer pastoor mensen wist die netjes waren, die arm waren geworden maar daar niets aan konden doen. Ga jij daar naar toe? Wat raar, want die meneer vroeg om een getrouwde man en vrouw met kinderen. Die man zou dan boer worden en die vrouw moest dan spinnen en weven leren en de kinderen moesten naar school. Waarom ga jij dan?’
‘Ja, dat weet ik ook niet’ zei Lies kribbig. Maar ik wil helemaal niet! Ik ga gewoon niet! ‘
‘Het was wel een heel knappe man.’ Plaagde Lies. Hij had donker haar en een heleboel krullen en heel mooie bruine ogen. Hij had ook heel mooie kleren aan. Die man woont in Frederiksoord geloof ik.
En toen ik hem hoorde vertellen dacht ik nog daar zou ik wel willen wonen. Misschien mag ik dan wel in zijn huis werken. O Lies, kon ik maar gaan. Mag ik met je ruilen? Zal ik stiekem in jouw plaats gaan?
Lies moest ondanks alles lachen om die gekke Jeltje ‘Je denkt toch niet dat je dat bij Krakeel lukt. Krakeel zorgt er wel voor dat ze zeker weet dat ik wegga, ze is maar wat blij dat ze me eindelijk weg kan sturen. Maar weet je wat! Ik vraag of jij mee mag! Kom op, ik ga het meteen vragen.’ Ze holde de gang door, Jetje met zich meeslepend. Ze klopte op de deur en onmiddellijk na het horen van ‘Entree’
rende ze naar binnen. Mevrouw Krak.. Krackmans, Jeltje kan wel met me mee. U zegt altijd dat u nauwelijks weet hoe u al die monden gevoed moet krijgen en als Jeltje mee gaat dan scheelt dat weer een mond. ‘Jongedame’ zei een stem achter haar, ‘Dat is onmogelijk, elke stad mag een bepaald aantal mensen sturen en de limiet is bereikt. Helaas deze jongedame kan niet mee.’
‘Dan ga ik ook niet!’ riep Lies en ze verliet met grote stappen de kamer. Jeltje knikte naar Krakeel en de man en rende achter Lies aan. ‘Elizabeth, Jeltje!’ hoorden ze Krakeel roepen. ‘Onmiddellijk hier komen!’ maar de meisjes renden door, de gang uit, naar de slaapzaal, daar zou nu niemand zijn.
‘Hendrik het is gelukt, je gaat naar Frederiksoord. Het heeft me veel overredingskracht gekost, je weet wel waarom. Je zal je vrouw in de gaten moeten houden. Ze zal moeten stoppen met de drank en flink aan moeten pakken. Haar huidige gedrag maakte dat ik de plaatsing er nauwelijks door kreeg.’
Hendrik kwam moeizaam overeind, hij moest steun zoeken aan de railing. Het duizelde hem. Kreeg hij alsnog een kans? Zou hij een nieuw leven kunnen beginnen? Hij hield de hamer stijf in zijn hand geklemd en spuugde de nagels die tussen zijn lippen zaten op het dek. Met zijn andere hand trok hij moeizaam de pet van zijn hoofd.
Schor prevelde hij: ‘Meneer Assenhoff, ik weet niet wat ik moet zeggen. Dank u. Ik ben u al zoveel dank verschuldigd, u heeft al zoveel voor mij gedaan. Zonder u was ik er waarschijnlijk niet eens meer.’
Assenhoff wuifde zijn dankbetuiging weg: ‘Aan jou ligt het ook niet, ik weet dat je doet wat je kan, en je bent een goed vakman. Wat dat betreft snijd ik in mijn eigen vingers. Aan jou wist ik wat ik had. Ik zal een nieuwe man moeten zoeken om de klussen op dit schip te klaren. Jij kent dit schip als geen ander, jij kent al haar kuren en weet haar zwakke plekken. Voor ik weer zo iemand vind. Maar…’ Zijn wijsvinger tikte op Hendriks borst, ’Je vrouw, houdt haar in de gaten, zij veroorzaakt steeds opnieuw problemen, zij is het die gemaakt heeft dat jij nu in deze situatie zit. Houdt de fles bij haar weg. En jij, zorg goed voor jezelf. Je krijgt daar een huis, kleding, een stuk land, en voldoende voedsel. Je zal het daar stukken beter krijgen dan hier. Laat haar dat niet van je afnemen.’
Bezorgd keek hij Hendrik aan: ‘Denk je dat je land kunt bewerken? Als je eenmaal de slag te pakken hebt dan is het niet zo zwaar meer, de frisse lucht zal je goed doen. Je weet dat ik er afgelopen zomer geweest ben en als herboren terugkwam. Jij zal je je daar veel beter voelen, je zal aansterken. Denk je eens in, een goede slaapplaats met dekens en een altijd warme kachel. Je zal weer vlees op je botten krijgen.’ Joviaal sloeg hij Hendrik op de schouder.
De magere, schonkige Hendrik schoot in een rochelende hoestbui. Gierend, naar adem snakkend trok hij langzamerhand weer bij. Even vroeg Assenhoff zich af of de man de reis en het leven daar wel zou aankunnen maar zijn onverwoestbare optimisme nam al snel weer de overhand. Het zou de man goeddoen. In gedachte zag hij Hendrik met een gezonde, frisse kleur voor zich. Een man die stevig op zijn benen zou staan, niet dit uitgeteerde mannetje meer zou zijn. Het vulde hem met vreugde.
‘Kom morgenochtend naar mijn kantoor dan zal ik je het contract laten lezen en vertellen met welk schip je vertrekt. Je kan toch lezen neem ik aan? Anders laat ik het voorlezen’.
Hendrik knikte, ja hij kon lezen, zijn vrouw niet.
‘Je vrouw moet meekomen, nuchter, ik zal met haar een duchtig woordje te bespreken hebben! Maar genoeg gepraat, aan het werk. Tot morgen!’ Met een brede zwaai nam hij afscheid. Even later zag Hendrik hem in de wachtende koets op de kade stappen en wegrijden. Moeizaam zakte hij weer op zijn knieën. Duizenden gedachten schoten door zijn hoofd. Zou hij Rie zo ver weten te krijgen? Zou ze eindelijk kunnen inzien dat het zo niet langer meer gaat. Hij begreep wel waarom ze zoveel dronk. Het leven was zwaar en er was amper eten. De drank schonk haar troost, dan kon ze lachen en grappen maken. Maar zou ze het willen? Weg uit haar buurt waar ze geboren en opgegroeid was. Waar ze iedereen kende. Alleen zou hij nooit daar naar toe kunnen gaan. Dan was de kans verkeken. Ze moest mee, desnoods kwaadschiks. Daar zouden ze opnieuw kunnen beginnen…
Den Haag, oktober 1818
‘Lies, je moet bij mevrouw ‘Krakeel’ komen! Meteen! Wat heb je nú weer gedaan?’
Jeltje keek lachend naar Lies. Heb je weer staan kletsen met de lantaarnopsteker? Of was je vanochtend niet op tijd?’
Lies wist het wel. Ze had gisteren dubbel soep gegeten, hoe vies het ook was. Neel kreeg het toch niet weg en zij had nog zo’n honger gehad. ‘Krakeel’ zal het wel weer gezien hebben, wat zou nu haar straf weer zijn? Ze haalde haar schouders op. Straf kon haar niet schelen.
Ze slenterde de gang door en klopte aan. ‘Entree’ hoorde ze Krakeel roepen. Lies onderdrukte een giechellach. ‘Zoo meisje’ hoorde ze haar alweer zeggen: Wat ik nu gezien heb stemt mij met droefenis. Je bent een beste meid maar die ondeugende trekjes zal je moeten onderdrukken. Je moet godsvruchtig, en gehoorzaam zijn en denk aan de drie b’s bekwaam, betrouwbaar en beschaafd. Hoe vaak moet ik je dat nu nog zeggen. Daarbij zou Krakeel haar bedroefd aankijken en haar hoofd schudden. Lies zuchtte en deed de deur open van de kamer. Maar deze keer liep alles heel anders.
Binnen zat een man en Krakeel sprong op en liep naar haar toe. Dag Elizabeth, zei ze heel vriendelijk, dit is mijnheer Rouweneel en hij heeft goed nieuws voor je. Zeg hem eens gedag.
Elizabeth boog licht door haar knieën en knikte naar de man. Dag meneer Rouweneel. Krakeel pakte haar bij haar schouders en duwde haar richting de stoel die langs de kant van de kamer stond. ‘Zo Elizabeth, luister nu maar eens goed naar meneer.’
Rouweneel schraapte zijn keel en stak van wal. Hij vertelde Lies dat zij naar Frederiksoord zou gaan. De Maatschappij voor weldadigheid had besloten enkele weeskinderen een nieuwe kans te geven. Mevrouw Krackmans had haar aangewezen als kandidaat. De man vertelde verder dat zij u bij meneer en mevrouw Rigardeau ingedeeld was, dat waren erg vriendelijke en zorgzame mensen. In Frederiksoord zou ze een vak leren en wel het weven en spinnen zodat zij zich later in de maatschappij zich staande zou kunnen houden. Ook zou zij in de avonduren leren lezen en schrijven. Ze zou in een goed huis komen te wonen en een twee stel ordentelijke kleren krijgen. Eén stel voor door de week en een stel voor de zondag opdat zij netjes de kerkgang kon maken. De frisse lucht en de opgewektheid van de mensen die in dit oord gingen wonen, de blijdschap van hen om de geboden kans, zou maken dat zij zeer door haar tevredenheid en geluk elke dag de Heere zou danken dat zij uitverkoren was om daar te mogen wonen.
Stralend keek Krakeel Lies aan, ‘Wel Elizabeth, wat zeg je me hiervan? Is het niet een zegen? Jij mag in dat wonderschone oord gaan wonen, jij hebt een geluk wat zelden iemand toebedeeld krijgt. Kom kind bedank meneer Rouweneel eens netjes.”
Elizabeth stond op en met haar ogen op de grond gericht mompelde ze haar bedankje. ‘Ach ze is zo verlegen’ glimlachte Krackmans. ‘En nu kan je weer gaan Elizabeth, morgenochtend krijg je je instructies en over enkele weken begint je nieuwe leven.’ Ze duwde Lies richting de deur en knikte het meisje vriendelijk toe. Tot morgen Elizabeth, ik zie je graag gelijk na het ontbijt.
Verdoofd liep Lies de gang in. Wat had die man gezegd? Ze ging weg? Wonen bij mensen die ze niet kende? Spinnen en weven, schrijven en lezen? Waar was Frederiksoord? Ze had er nog nooit over gehoord.
Au! , nijdig sloeg ze de hand weg die in haar arm kneep. Ze keek in de pretogen van Jeltje. ‘Ooo jij bent even kwaad, lachte Jeltje. Was ze weer zo erg?’ Ze duwde haar haar omhoog en met de stem van Krakeel riep ze: ‘Elizabeth je bent een lief meisje, maar wel een beetje lui.’ Maar toen Lies alleen maar een flauw glimlachje toonde hield ze in. ‘Wat is er gebeurd? Je doet zo raar.’
‘Het was ook heel raar, er zat een man en die vertelde dat ik naar Frederiksoord ga, ik ga wonen bij meneer en mevrouw Rigeau of zoiets. Ik had heel veel geluk zei Krakeel. Ze wil me gewoon kwijt.’
‘Frederiksoord zei je? Vroeg Jeltje. Daar heb ik wel eens over gehoord, laat me even nadenken. Wat was dat ook alweer. Ze liep heen en weer door de gang. Ineens hield ze haar pas in. ‘Ik weet het weer! Dat is de kolonie! Ik was bij meneer pastoor aan het werk en hij zat met een man te praten over Frederiksoord. Die man vertelde dat hij een stuk land had gekocht en daar huizen gebouwd had voor arme mensen. Hij vroeg of meneer pastoor mensen wist die netjes waren, die arm waren geworden maar daar niets aan konden doen. Ga jij daar naar toe? Wat raar, want die meneer vroeg om een getrouwde man en vrouw met kinderen. Die man zou dan boer worden en die vrouw moest dan spinnen en weven leren en de kinderen moesten naar school. Waarom ga jij dan?’
‘Ja, dat weet ik ook niet’ zei Lies kribbig. Maar ik wil helemaal niet! Ik ga gewoon niet! ‘
‘Het was wel een heel knappe man.’ Plaagde Lies. Hij had donker haar en een heleboel krullen en heel mooie bruine ogen. Hij had ook heel mooie kleren aan. Die man woont in Frederiksoord geloof ik.
En toen ik hem hoorde vertellen dacht ik nog daar zou ik wel willen wonen. Misschien mag ik dan wel in zijn huis werken. O Lies, kon ik maar gaan. Mag ik met je ruilen? Zal ik stiekem in jouw plaats gaan?
Lies moest ondanks alles lachen om die gekke Jeltje ‘Je denkt toch niet dat je dat bij Krakeel lukt. Krakeel zorgt er wel voor dat ze zeker weet dat ik wegga, ze is maar wat blij dat ze me eindelijk weg kan sturen. Maar weet je wat! Ik vraag of jij mee mag! Kom op, ik ga het meteen vragen.’ Ze holde de gang door, Jetje met zich meeslepend. Ze klopte op de deur en onmiddellijk na het horen van ‘Entree’
rende ze naar binnen. Mevrouw Krak.. Krackmans, Jeltje kan wel met me mee. U zegt altijd dat u nauwelijks weet hoe u al die monden gevoed moet krijgen en als Jeltje mee gaat dan scheelt dat weer een mond. ‘Jongedame’ zei een stem achter haar, ‘Dat is onmogelijk, elke stad mag een bepaald aantal mensen sturen en de limiet is bereikt. Helaas deze jongedame kan niet mee.’
‘Dan ga ik ook niet!’ riep Lies en ze verliet met grote stappen de kamer. Jeltje knikte naar Krakeel en de man en rende achter Lies aan. ‘Elizabeth, Jeltje!’ hoorden ze Krakeel roepen. ‘Onmiddellijk hier komen!’ maar de meisjes renden door, de gang uit, naar de slaapzaal, daar zou nu niemand zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)