donderdag 13 november 2008

8 Naar Blokzijl

(Er komt nog een reisbeschrijving van Den Haag naar Amsterdam)

Vermoeid en met koude, stijve benen stapten ze gedrieën van boord. Het was druk in de haven. Mensen liepen af en aan. Onder de indruk van deze bedrijvigheid stonden de kinderen stilletjes te kijken. Rouweneel leidde ze naar een langgerekt rijtuig die nog net drie plaatsen vrij had.
Na een korte rit stopten ze bij een groot gebouw. Dit is kazerne de Utrechtsepoort vertelde Rouweneel. Als het goed is zijn je toekomstige kolonieouders hier ook samen met mijn grote vriend Petrus Assenhoff. Ik heb met hen afgesproken voor de ingang. Ah daar zie ik Petrus al. Kom mee.
Met grote passen liep Rouweneel op drie mensen af. De langste man was goed gekleed en dik. De man en vrouw naast hem deden de kinderen schrikken. Wat waren ze mager. De man had ingevallen wangen en ademde zwaar. De vrouw keek hen nieuwsgierig aan. Ze spreidde haar armen en riep, daar zijn ze, de lieverdjes, kom hier. Ze sloeg haar armen om Jan heen en kustte hem op beide wangen. Jan bleef stijf als een plank staan. Hij voelde onmiddellijk de onechtheid van deze vrouw. Lies daarentegen voelde zich warm en blij bij deze hartelijke ontmoeting. Ze lachte de vrouw vriendelijk toe en knikte naar de man naast haar. De man lachte, knikte ze toe en aaide beiden even over het hoofd. ‘Zo zijn jullie daar eindelijk. Vanaf nu moeten we het met elkaar zien te redden. Wat zien jullie er mooi uit. Je bent maar een deftige dame zei hij tegen Lies. En jij een stevige knaap, jouw hulp zal ik goed kunnen gebruiken jongen. Ik ben blij dat jullie bij ons komen wonen.’
Deze eenvoudige hartelijkheid stond in schril contrast met de overdreven theatrale gebaren van Rie.
Zij dacht in zichzelf alleen aan de extra hulp die ze met deze twee kinderen kreeg. Ze zagen er mager maar gezond uit. De jongen leek haar sterk toe. Zij en Henk zouden niet veel hoeven doen.
Daarna gingen ze allen de kazerne binnen om hun aanwezigheid te melden en hun proviant in ontvangst te nemen. Ieder kreeg een half brood, een half pond kaas en een ,,, bier (Toentertijd dronk iedereen bier omdat het water te vies was). Dat moest voldoende zijn voor de overtocht. Hongerig keken ze alle vier naar het eten. Vooral Rie en Hendrik waren het liefst gelijk begonnen aan het eten. Maar ze moesten eerst tekenen voor ontvangst. De kinderen schreven houterig hun naam, Rie zette een kruisje en Hendrik ondertekende zelfs met enige zwier. Er bleken meerdere mensen naar Frederiksoord te gaan zagen ze.
Daarna wees Rouweneel naar een beurtschip Hij vertelde dat het schip Johannes van den Bosch, heette, naar de oprichter van Frederiksoord, Daarmee zouden ze reizen naar Blokzijl. In Blokzijl zouden ze overnachten en de volgende dag verder reizen naar Frederiksoord.
Rie popelde om haar nieuwe woning te zien en vertelde de kinderen hoe mooi het daar zou zijn.
Rouweneel trok zijn wenkbrauwen op en keek Assenhoff vragend aan. ‘Dat heeft ze zich in haar hoofd gezet, fluisterde hij, en ik krijg het er niet meer uit. Ik houd m’n hart vast voor het moment dat de werkelijkheid tot haar doordringt. Overigens, kan jij bij Van den Bosch een goed woordje doen voor Hendrik. Het is een fijn mens maar achtervolgt door ellende, de man is gebroken, probeer of hij een beetje ontzien kan worden. Hij heeft veel goede eigenschappen en is denkelijk heel wat waard voor de kolonie.’ Rouweneel beloofde dat hij dat zou proberen ‘maar’ vroeg hij aan Assenhoff ‘zou Johannes wel luisteren.’ Die man is zo’n wervelwind, hij had nooit er tijd voor en was altijd wel met iets bezig.’
‘Zijn broer Benjamin is rustiger, bij hem zal je wel een luisterend oor vinden. Voor zover ik begrepen heb zal hij Frederiksoord leiden. Aan hem zullen de mensen een goede hebben. Hij is een rechtvaardig mens.’

Nadat alles geregeld was gingen iedereen aan boord. Het schip lag diep in het water, volgeladen als het was met vracht en passagiers. Hendrik had een warme deken gekregen zodat hij buiten kon gaan zitten. Hij zou het veel te benauwd krijgen in de kajuit. Hij nam plaats op het dek. Jan ging gelijk naast hem zitten en dat kleine toeschietelijke gebaar ontroerde Hendrik hevig.
Lies ging met de vrouw en Rouweneel mee, zij wilde wel weten hoe de mensen waren die ook bij hun in de kolonie kwamen wonen. Ze waren herkenbaar aan het pakket eten wat ze meegekregen hadden. Toen ze eenmaal de haven uit waren werden de grote zeilen gehesen en met een flinke snelheid schoot het schip over het water.
Jan en Hendrik zaten stil voor zich uit te kijken, onwennig nog aan elkaars gezelschap zeiden ze soms enkele woorden tot elkaar, soms wees Hendrik alleen maar en dan knikte Jan om te bevestigen dat hij het gezien had. Maar onmiddellijk was er een band. Ze herkenden elkaar in hun manier van doen. Beiden afstandelijk, afwachtend, zich niet snel bloot gevend, getekend als ze waren door alle ellendige gebeurtenissen die ze hadden doorstaan. Hendrik voelde zich gelukkig op dat moment. Met deze jongen zou het wel lukken.
Jan dacht aan de vrouw en hoopte dat zijn eerste indruk verkeerd was. Er was iets in haar ogen wat hem niet aanstond.
Het werd kil zo buiten op het open water. Jan rilde licht. Uitnodigend sloeg Hendrik de deken open. Kom er maar bij jongen, je moet niet ziek worden. Stijfjes kroop Jan naast Hendrik, zorgvuldig zoveel mogelijk afstand bewarend. Even later waren beiden in slaap gevallen.

Geen opmerkingen: