donderdag 6 november 2008

3 Jan

Jan

De pastoor riep Jan die angstig dichterbij kwam. Wat zou er nu weer zijn? De jongen stond met de jute zak vol kolen op zijn nek op de binnenplaats. Jan wist zeker dat hij niets gedaan had, daar was hij ’s avonds veel te moe voor. Na een lange dag hard werken en eten en daarna nog de jongere kinderen helpen was meer dan genoeg.
Jan’s ogen lichtte helder op in zijn verder zwart besmeurde gezicht. Hij keek de pastoor onderzoekend aan. Wat zou hij te zeggen hebben?
‘Jan, ga je opknappen, er is bezoek voor je. Trek je zondagse goed aan en houd je hoofd onder de pomp, ik wil niet dat er nog ergens kolengruis te zien is.’
Jan slofte naar de pomp, trok zijn buis uit en pompte het water op. Het water was ijskoud. Na diep adem te hebben gehaald stopte hij z’n hoofd onder de koude straal. Zijn hoofdhuid prikte, zijn wangen tintelden. Inwendig vervloekte hij de pastoor. Die kreeg ’s ochtends warm water.
‘Je handen moeten ook brandschoon zijn’, zei de pastoor. ‘Hier heb je een borstel, schuur je handen tot er geen zwart te zien meer is’. Jan schrobde en boende maar het vuil zat zo diep in z’n huid dat alles vuil bleef lijken. ‘Harder schrobben! En een beetje sneller’, schreeuwde de pastoor en gaf hem een klap voor z’n hoofd. ‘Maak ons niet ten schande.’
Eindelijk was de pastoor min of meer tevreden. Hij werd naar boven gestuurd in zijn onderhemd en moest daar zijn zondagse goed aantrekken en dan naar de pastorie komen. Gelaten liet Jan alles over zich heen gaan. Welke rotklus zou de pastoor nu weer bedacht hebben? Hij kende die bezoeken, er zou wel weer iemand zijn die hem wilde lenen om te komen werken. Als hij maar niet weer die stinkende huiden hoefde schoon te maken. Als hij aan die lucht dacht werd hij al misselijk, ze stonken nog erger dan de grachten waar hij vaak moest helpen bij het uitladen van de schepen..
Eenmaal in de pastorie werd hij naar de mooie kamer gebracht. Daar zat de pastoor met een voor Jan onbekende man. Dit is meneer Drevel, hij is een commissielid van de Maatschappij voor Weldadigheid. Op voorspraak van meneer Assenhoff ben jij uitgekozen als kandidaat om mee te gaan naar Frederiksoord. Binnenkort verlaat je dit weeshuis en je reist samen met meneer Rouweneel naar Amsterdam. Er zal nog een wees met je meegaan maar dan van het vrouwelijk geslacht. En nu beantwoordt je netjes al meneer Drevels vragen, begrepen?’
Jan had verbaasd het verhaal aangehoord en het enige wat door zijn hoofd ging was dat hij eindelijk weg ging. Hoe vaak had hij daar niet van gedroomd. Was het echt zo?
De heer Drevel schraapte zijn keel en plaatste zijn vingertoppen tegen elkaar. Met zalvende stem sprak hij de jongen toe. Dat hij het geluk had gekozen te zijn, hoezeer het hem ook speet dat andere kinderen dit geluk niet ten deel zou vallen. Dat hij een heuse vader en moeder en zus zou krijgen en een nette woning. Zijn nieuwe ouders konden zijn kracht goed gebruiken om hen te helpen op het land en om het huis. Hij zou voldoende te eten hebben met elke dag vlees en het warm en gerieflijk hebben. De kachel zou altijd branden.
Jan hoorde dit alles aan met groeiende verbazing. Hij geloofde het niet. Na de steeds weer valse beloften van de volwassenen om hem heen geloofde hij niets en niemand meer.
De man vroeg hem allerlei dingen, of hij vaak ziek was, of hij goede at, goed sliep, hoe lang hij al werkte en wat hij allemaal voor werk gedaan had. Hij moest zich uitkleden en de man bevoelde zijn schouders, nek, armen, keek in zijn broek en mond. Jan moest net doen alsof hij moest hoesten en nog veel meer. Eindelijk was de man klaar en knikte, Jan was geschikt bevonden.
‘Wat is je achternaam jongen?’ Vroeg Drevel. Jan wist niet waar hij het over had. Achternaam?
Hij heette gewoon Jan.
‘Nou, kom op, wat is je achternaam?’
De pastoor kwam tussenbeide en vertelde dat Jan te vondeling was gelegd voor het weeshuis. Voor het gemak hadden ze hem maar Jan Janssen genoemd. Met dubbel s omdat een ander vondelingetje al Jan Jansen was genoemd. ‘Het is al lastig genoeg om die kinderen een naam te geven’ mopperde hij.
Drevel vertelde dat Jan binnen drie weken zou vertrekken vanaf de Veerkade. Die wist hij toch wel te vinden? Van daar uit zou hij samen met Elizabeth en de heer Rouweneel naar Amsterdam reizen waar hij zijn nieuwe ouders zou ontmoeten. Gevieren zouden ze verder reizen per boot over het IJsselmeer naar zijn nieuwe woonplaats. Had Jan het allemaal begrepen? Jan knikte. Hij had het heel goed begrepen. Eindelijk weg bij de paters en de pastoor die hem elke keer opnieuw uitlachten, sloegen, vernederden.
‘O ja, jongen’ vervolgde Drevel, je krijgt daar na je werk op het land les in lezen en schrijven, ik neem aan dat je die vaardigheid niet beheerst? Jan begreep hem niet helemaal en knikte maar.
‘Wat nou jongen, kan je wel lezen en schrijven? Nee, een klein beetje maar, zei Jan.
‘Mooi’, Drevel stond op en tikte met zijn handschoen tegen Jans wang, ‘wees een brave oppassende jongen en je zal het goed hebben daar, zo niet dan word je weer terug naar hier gestuurd.’
‘God helpe ons om dat te voorkomen’ mompelde de pastoor. Kom Jan, je kunt gaan
Jan bedankt meneer Drevel en kleedde zich weer om zodat hij verder kon gaan met zijn werk. Even later voegde de heer Drevel zich bij hem en vroeg hem of het hem aanstond te vertrekken. Schichtig keek Jan om zich heen, de pastoor zou nooit willen dat hij met meneer Drevel praatte. De man zag zijn schrik en verzekerde hem dat hij de pastoor toestemming had gevraagd Jan nog even persoonlijk te spreken. Jan haalde opgelucht adem maar durfde nauwelijks iets te zeggen.
Nou jongen, geef eens antwoord maande Drevel hem aan.
Jan mompelde dat het hem wel goed leek om daar naartoe te gaan. Verder durfde hij niets te zeggen.
Drevel voelde een steek van medelijden door zich heen gaan. De jongen leek hem zeer geschikt, hij was sterk en gezond, maar stug en kortaf. Wat zou zo’n kind allemaal meegemaakt hebben vroeg hij zich af om nu al zo argwanend te zijn. Het leek bijna een volwassen man in zijn doen en laten. Het zou goed voor hem zijn uit deze sfeer te raken. Wie weet wat de toekomst deze jongen nog zou brengen, het scheen hem toe dat er een gezond stel hersens in zat.
Met meer hartelijkheid dan hij getoond had in de pronkkamer, nam hij afscheid van de jongen. Jan keek hem na en laadde fluitend de zak met kolen op zijn nek.

Geen opmerkingen: