Ze ploften elk op een bed en begonnen te giechelen. ‘Onmiddellijk hier komen!’ brouwde Jeltje Krakeel na. 'O Lies, je kan er nu wel op rekenen dat je niet meer naar Frederiksoord gaat. Die man zal je veel te brutaal vinden.' Maar Lies bekeek het anders. ‘Nu moet ik juist daar naar toe, let maar op. Krakeel zal daar wel voor zorgen.’O Jeltje ik wil daar helemaal niet naartoe. Hier ken ik iedereen en daar moet ik bij heel vreemde mensen gaan wonen. Ik moet iets verzinnen om niet te hoeven gaan.’
Ze hoorden voetstappen in de gang en alle twee doken ze gelijk onder een bed. Maar ze waren niet snel genoeg. Krakeel had hen al gezien. Ze trok Lies onder het bed vandaan en hield haar bovenarm in een ijzeren greep. ‘Meekomen jij.’ Ze sleurde Lies de gang door, naar haar kamer. Rouweneel was er nog. Zag Lies het goed? Lachte hij?
Rouweneel kuchte en hield even zijn gehandschoende hand voor zijn mond. ‘Lies zei hij, je gaat nu met mij mee. We gaan nieuwe kleren voor je laten maken. Zo kan je niet op reis’ Hij bekeek haar van top tot teen. Van haar rafelige, smoezelige witte muts tot de oude afgetrapte schoenen. Lies was altijd trots geweest dat zij schoenen had. De meeste kinderen in het weeshuis liepen op klompen. Maar onder de blik van de keurige man zag ze ineens zichzelf en schaamde zich voor haar uiterlijk. Maar zij kon daar ook niets aan doen. -Het weeshuis was karig met het verstrekken van kleding.- Alles werd steeds opnieuw opgelapt. Er was geen gat in haar kleding te bespeuren maar overal zaten stopplekken en opgezette stukjes stof uit oude kleren. Niets werd zomaar weggegooid.
‘Ik wil niet op reis, ik wil graag hier blijven!’ zei Lies koppig. Ik hoef geen nieuwe kleren…'
Ze voelde de hand van Krakeel nog vaster om haar arm knijpen. ‘Jij hebt niets te willen, jij gaat! Begrepen? Snauwde Krakeel. Ik loop met je mee naar de pomp, jij wast je gezicht en dan ga je met deze meneer mee. En waag het niet om kuren te vertonen.'
Krakeel trok haar mee naar de kleine binnenplaats waar een vuile, natte doek hing. Eigenhandig veegde ze het gezicht van Lies schoon en sleurde haar weer mee naar Rouweneel.
‘Normaal gesproken is het een erg gezeglijk meisje’ zei ze uiterst vriendelijk tegen hem. ‘Ik ken haar zo niet, het zal de schok van het goede nieuws wel zijn.’
‘Ongetwijfeld', sprak de heer Rouweneel. 'Maar kom kind, we gaan, de koets staat voor de deur.' Lies zette grote ogen op. Zij in een koets? Dat was nog nooit gebeurd.
Ze werd door Krakeel persoonlijk naar buiten begeleidt. Er was geen ontkomen aan. De man stapte in en reikte zijn hand om Lies naar binnen te helpen. De koets schommelde licht heen en weer en Lies liet zich in de kussens zakken die van rood fluweel waren en heel zacht. De paarden zetten zich in beweging en daar ging ze. Ze giechelde want de koets schommelde en wiegelde. De man keek haar vriendelijk aan. ‘Heb je nog nooit in een koets gezeten?’
'Nee' zei Lies schuchter en schudde haar hoofd. 'Ik vind het wel leuk en het is zo zacht, ze streek voorzichtig met één vinger over het fluweel.'
‘Vind je het zo aangenaam in het weeshuis, dat je wil blijven?’ Lies voelde haar gezicht rood worden, wat moest ze nu zeggen? 'Ja, nee, ja ik vind het wel en niet leuk. Ik kan altijd lachen met Jeltje, zij is gelijk met mij in het weeshuis gekomen, maar Krakeel is niet leuk. Ik mag niets van haar, zo gauw ik iets doe dan begint ze te schreeuwen en krijg ik straf. Vaak word ik opgesloten of moet ik alle aardappelen schillen. Maar het maakt mij niets uit hoor, ik ben die straf wel gewend.’
‘Juffrouw Krakeel?’ vroeg de man.
O, wat had ze gezegd? Verschrikt sloeg ze haar hand voor haar mond.
De man begon heel hard te lachen. ‘Zal ik je een geheim vertellen? Ik noem haar ook zo! maar dat is ons geheim.’ Lies begon te grinniken en even later zaten ze alle twee hardop te lachen.
Toen ze uitgelachen waren durfde Lies te vragen wat Frederiksoord was en of het ver weg was, en of ze Jeltje niet mee kon nemen. De man werd gelijk ernstig en vertelde dat het écht niet kon dat Jeltje erbij kwam. Hij legde haar uit dat heel veel mensen in Nederland heel erg arm waren en haast niets te eten hadden. Meneer Bosch vond dit zo erg dat hij daarom huizen had gebouwd voor die mensen. Hij wilde dat ze naar Frederiksoord konden gaan, zodat ze het beter kregen. In Frederiksoord kwamen alleen mensen die netjes en goed opgevoed waren. Allemaal mensen die er niets aan konden doen dat ze arm waren geworden.
‘Heeft meneer Bosch zwart haar en krullen en heel mooie ogen’? Vroeg Lies.
Weer schaterde Rouweneel. ‘Ja hij heeft inderdaad dat soort haar maar die heel mooie ogen zijn me niet opgevallen’.
‘Jeltje zei dat’, vertelde ze, ‘die heeft meneer Bosch bij de pastoor gezien. Maar waarom ben ik dan uitgekozen? Ik heb toch geen vader en moeder meer en Jeltje vertelde dat alleen mensen mét kinderen daar naartoe gingen.’
Meneer Rouweneel vertelde dat er ook erg arme mensen waren zonder kinderen en dat ze die mensen ook een kans wilden geven. Dus hadden ze aan de weeshuizen gevraagd of zij geschikte kinderen hadden.
‘Maar Krakeel zegt altijd dat ik niet deug en voor galg en rad zal opgroeien, waarom ga ik dan daar naartoe?’
‘Misschien vindt ze je wel heel erg lastig’. zei Rouweneel lachend.
Lies knikte; ‘Dat dacht zij ook vertelde ze, dat ze daarom weg moest. Maar ze kon er niets aan doen, elke keer zei ze dingen die ze niet moest zeggen of deed ze dingen die ze niet mocht doen, het ging vanzelf.’
‘Ben jij echt al zestien?’ vroeg Rouweneel.
Hij had Lies bekeken en het lange, magere meisje had niets van een vrouw weg. Ze had de vormen, het uiterlijk en het gedrag van een kind. Hij kende meisjes van haar leeftijd die bijna volwassen vrouwen leken en alle trucjes kenden om een man in te palmen. Hij genoot van de onbevangenheid van Lies en het totale gebrek aan maniertjes. Zou ze zó klein gehouden zijn dat ze eerder een kind van twaalf leek dan zestien?
Lies vond het maar een vreemde vraag.
‘Ja natuurlijk ben ik zestien, dat kunt u toch aan mijn kleren zien, tot tien jaar dragen meisjes blauwe kleren, tot vijftien jaar grijze kleren en als je ouder bent draag je ook grijze kleren en een muts. Dan mag je niet meer zonder muts lopen. Ze streek over het rode fluweel, en dacht ineens aan een jurk van dat spul. Maar gauw duwde ze deze gedachten weg, iets begeren was een grote zonde zei Krakeel. Lies zuchtte eens diep.
‘Kom je vaak buiten? Vroeg Rouweneel omdat hij wilde weten hoe het kwam dat dit kind zo wereldvreemd leek. Of zou ze niet helemaal goed in haar hoofd zijn?
‘Jeltje wel, zij gaat elke dag weg naar de pastorie, ze werkt in de keuken en moet de kachels aanmaken en schoonmaken. Ze heeft hele dikke handen van het water maar heel soms krijgt ze roggebrood mee en dat is fijn. Dan krijg ik altijd van haar ook een stuk. Maar ik moet in het weeshuis helpen en mag alleen naar buiten als we naar de kerk gaan, we mogen dan met niemand praten, ook met elkaar niet en we moeten in een rij lopen. Er zijn vaak nare mannen onderweg die gekke dingen zeggen tegen ons, maar Krakeel zegt dat die mannen echte duivels zijn en dat we nooit wat tegen ze mogen zeggen en nooit stil mogen staan om met ze te praten. Soms is dat wel moeilijk en eigenlijk snap ik niet dat ik nu wel met u mee mag en met u mag praten.'
‘Die mannen op straat zijn andere mannen, mevrouw Krackmans heeft gelijk, ook al zal je dit niet leuk vinden om te horen. Die mannen denken dat ze alles met vrouwen mogen doen, ze slaan ze en doen rare dingen met ze. Beloof me dat je deze wijze les van Krakeel onthoudt’
Lies knikte maar en hield haar vingers stiekem gekruist. Hoe kon ze dat nou beloven? Ze praatte ook met meneer pastoor en met Wiegert die de poepdozen kwam leegmaken. Die deden nooit raar.
‘Maar waar is Frederiksoord? Kan ik Jeltje nog wel zien?’
‘Dat zal moeilijk worden. De kolonie is ver weg van hier. Maar daar gaan ook heel veel kinderen naar toe, je krijgt daar vast nieuwe vriendinnen. Als je eenmaal kan schrijven dan kan je Jeltje een brief sturen dan kan meneer pastoor die misschien wel voorlezen. En dan kan zij jou terugschrijven, daar wil vast wel iemand haar bij helpen.
‘Ik kan al wel een beetje schrijven’, zei Lies trots, ‘maar toen ik twaalf werd moest ik werken in de keuken en de naaikamer. Kijk, al deze lapjes heb ik zelf in mijn jurk gezet.’
Maar je moest toch naar school voordat je ging werken?
‘Ja, maar mevrouw Krakeel riep me altijd weg, net als Jeltje. Dat komt omdat wij helemaal geen familie
meer hebben. De andere kinderen hebben nog tantes en ooms of een grootmoeder en dan is Krakeel bang dat ze daar last mee krijgt. Ze zegt altijd dat ik toch niets hoef te lezen later. Ik word toch dienstmeid of moet kleren repareren voor de deftige dames.’
En die meneer Rigeau? Is hij aardig?
Ik ken hem heel goed, de stakker, hij is geboren in een mooi, groot huis en zijn vader en moeder hadden veel geld. Zij zaten in de handel en verdienden goed. Maar toen zijn ouders dood gingen en de handel in elkaar stortte werd hij steeds armer. Zijn eerste vrouw werd heel ziek en dat kostte ook veel geld. Hij wilde haar helpen en moest steeds de dokter betalen. Toch ging ze dood. Daarna trouwde hij weer maar ook die vrouw werd ziek en ging dood. Doordat hij aldoor bij zijn vrouw wilde zijn en geen aandacht meer voor zijn werk had verdiende hij steeds minder. Zijn klanten zochten op het laatst andere handelaren op. Hij moest steeds maar verhuizen naar een kleiner huis omdat hij de huur niet meer kon betalen en nu heeft hij helemaal geen geld meer en woont hij in een heel klein keldertje. Doordat hij toch wel veel mensen uit de handel kende lieten ze hem de timmerman helpen die werkte op de schepen van meneer Assenhoff. Het bleek dat hij heel goed kon timmeren en omdat hij dat zo goed kon vroeg meneer Assenhoff of hij een paar van zijn schepen wilde onderhouden. Maar ja, die schepen liggen niet altijd in de haven en als er geen werk was dan moest meneer Rigardeau toch aan eten zien te komen. Hij moest dan naar het armenhuis om eten te halen. Meneer Assenhoff vond dat zo erg dat hij er voor gezorgd heeft dat Rigardeau naar Frederiksoord kan met zijn nieuwe vrouw. Maar meneer Bosch, de baas van Frederiksoord, wil mensen mét kinderen daar zodat die kinderen mee kunnen helpen en daarom ga jij mee. Er komt overigens nog een jongen bij jullie wonen, hij is vijftien jaar en heet Jan en komt ook uit een weeshuis van hier in Den Haag.’
‘Maar waarom zijn er dan geen kinderen in Amsterdam gezocht?’
‘Het weeshuis in Amsterdam wilde dat niet, het gaat er daar heel anders aan toe dan hier. Veel rijke burgers hebben meebetaald om de kinderen een vak te laten leren, ze hebben ook allemaal nette en schone kleren en goede schoenen. Nu willen die burgers niet dat deze kinderen, waar zij voor betaald hebben, ergens anders naar toe gaan. Ze willen die kinderen in Amsterdam houden.’
‘Nou dan had ik ook maar beter naar het weeshuis in Amsterdam gebracht kunnen worden.’ Mopperde Lies.’
Rouwvoet lachte even maar werd toen weer ernstig. ‘Meneer Rigardeau is een erg aardige man, je moet hem het niet lastig maken, hij heeft het erg moeilijk gehad. Ik weet zeker dat je hem heel aardig zal vinden. Als ik jou was dan zou ik blij zijn met de kans die je krijgt. Je weet toch zelf wel dat de meeste meisjes uit het weeshuis in het beste geval ergens dienstmeid worden en hun hele leven heel hard moeten werken. Wil je dat zo graag worden? Je zei al dat Jeltje hele dikke handen heeft, die krijg jij dan ook en nog erger, wil je dat? ’
‘Nee, schudde Lies. ‘en die Jan? Is hij ook aardig?’
‘Ik ken Jan niet, hij is door een priester opgegeven als kandidaat. Hij is vijftien jaar en zit in het jongensweeshuis, dat is alles wat ik weet.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
Wat een mooi verhaal, Dettie! Ben erg benieuwd hoe het verder gaat...
Een reactie posten