Hendrik kreeg gelijk. In Blokzijl moesten ze wachten op de trekschuit die hen naar Steenwijk zou brengen. Rouweneel bestelde te eten voor hen en nu had de vrouw spijt. Ze had zich zo vol gegeten op de boot dat ze het nu niet op kreeg.
Na de lange vermoeiende dag kwamen ze eindelijk aan op Frederiksoord.
Twee mannen stonden hen op te wachten. 'Van den Bosch, Benjamin' zei de een, 'Van den Bosch, Johannes' zei de ander. Dat is die man waar Jeltje het over had schoot door Lies heen. Inderdaad een knappe man. Mevrouw Regagneau was heel vriendelijk en beleefd en deed alsof ze enorm blij met de kinderen was. Jan stond star voor zich uit te kijken maar Lies keek nieuwsgierig in het rond. In keurige rijen zag ze witte huisjes staan met een rieten dak, aan weerzijde van de deur zaten ramen, achter het huis lag een stuk land.
Benjamin bracht hen naar zijn kantoor waar ze zich moesten inschrijven. Daarna gingen ze naar het magazijn waar ze hun kleding in ontvangst namen en het uitgavenboekje. En toen was het grote moment daar, ze gingen naar hun nieuwe onderkomen.
Mevrouw Regagneau was stil en je zag aan haar gezicht dat ze vreesde dat de witte huisjes de woningen zouden zijn. Haar vrees werd bevestigd.
Ze bekeek de kamer, de kachel, de bedstee en de lage zolder en begon toen Hendrik op een vreselijke manier uit te schelden. Ze schreeuwde dat hij gelogen had, moest ze hier gaan wonen? Zonder haar familie, in dit huisje tussen allemaal vreemden? Had ze daarvoor die ellendige reis gemaakt. Hendrik stond daar maar, hij wilde met de kinderen en de mannen erbij geen ruzie maken. De grond zonk onder zijn voeten weg. Al zijn hoop sloeg de bodem in. Voorzichtig bracht hij naar voren dat dit toch wel een stuk beter was dan de vochtige kelder. Maar Rie luisterde niet meer naar rede. Ze raasde en tierde. Lies en Jan slopen zachtjes naar buiten. Ontdaan keek Lies Jan aan. "Moeten we bij haar gaan wonen? Dan heb ik nog liever Krakeel.
Jan bromde wat in zichzelf en sloeg met z’n vuist tegen de muur. Daarna vermande hij zichzelf. ‘Het komt goed’, let maar op het komt goed! Meneer Regagneau is wel heel aardig en hij is niet gek. Let maar op, hij zorgt er wel voor dat zijn vrouw normaal doet. ‘
Lies keek nog eens om zich heen, de akkers waren nog leeg maar uit alle huisjes kwam rook, enkele kinderen speelden buiten. En het was zo stil, je hoorde alleen het ruisen van de wind door de bomen.
‘Ik vind het wel mooi hier,’ zei ze tegen Jan.
Nu keek Jan ook op. 'Ja, heel wat anders dan Den Haag. Kom we gaan eens rondkijken.' Ze liepen het straatje uit en keken bij elke woning nieuwsgierig of ze iemand zagen. Het straatje eindigde in een dwarsstraat met daarachter een sloot. Ze sloegen linksaf en kwamen na een tijdje bij een groot gebouw uit, het rook er naar eten.
Nadat ze alles bekeken hadden liepen ze terug naar hun huis. Ze zagen Hendrik kromgebogen buiten staan. Huilde hij? Toen hij de kinderen zag streek hij snel over zijn ogen. 'Kom, zei hij, jullie moeten jullie omkleden, je moet de kleren aan die je net gekregen hebt.'
Lies keek naar haar mooie reiskleding, mocht ze dat niet aanhouden? Vroeg ze. Nee kind, iedereen draagt hier hetzelfde, dan krijg je ook geen afgunst. Je bent dat toch wel van het weeshuis gewend?
Binnen zat mevrouw Regagneau. Ze zag de kinderen niet eens. Met haar armen hangend tussen haar benen keek ze strak voor zich uit. Ze mompelde af en toe wat en schudde steeds haar hoofd.
Lies voelde ergens wel medelijden met haar. Ze zag er zo eenzaam uit. Ze liep naar haar toe en legde een hand op haar schouder.
De vrouw schrok op en schreeuwde 'Sodemieter op, ik wil jullie niet zien, rot op!' Geschrokken deinsde Lies terug. Jan stapte naar voren en keek de vrouw recht in haar gezicht.
Bedaard zei hij ‘Nee, we gaan niet weg, we moeten bij u wonen of u het wil of niet. We moeten de kleren aan en als eerste trekt Lies die aan, alleen… en als zij klaar is dan trek ik ze aan. U kunt wel even buiten wachten.' Tot Lies’ verbazing gehoorzaamde de vrouw ook al stribbelde ze tegen. Buiten hoorden ze haar tegen Hendrik schreeuwen. Lies grijnsde naar Jan. ‘Goed gedaan zeg.’
Ach mompelde Jan, ik ben al heel wat gewend, het is een trucje, je moet ze recht aan kijken en niet met je ogen knipperen. Dat werkt altijd, dan zien ze dat je niet bang voor ze bent. Probeer het maar eens maar er is wel een nadeel, ze krijgen dan wel de pest aan je omdat ze niets tegen je kunnen beginnen. Als je dat niet wil moet je af en toe net doen of je wel bang bent.
‘Nou dat ben ik ook!’ zei Lies. 'Krakeel kende ik goed en die zei altijd hetzelfde, daar was ik niet bang meer voor, maar zij…'
Jan haalde zijn schouders op. 'Die vrouw is heel dom. Die kan jou niets maken, zorg er alleen voor dat jij niet gaat schreeuwen of rare dingen gaat doen, dan verpest je het voor jezelf.' Lies knoopte dat goed in haar oren.
Toen Jan het huisje uit was kleedde ze zich snel om. De blauwe jurk was van grove stof en het was even wennen na de zachte warme reiskleding. Zorgvuldig verborg ze haar oude kleding in een hoek op de zolder. Daarna ging ze naar buiten zodat Jan en Hendrik de koloniekleren konden aantrekken.
Even later kwamen ze weer terug en Lies moest ondanks alles giechelen. Er stonden twee keurige mannen voor haar in een donkerblauw pak. Hendrik liep onwennig rond op de klompen die hij ook gekregen had. Op zijn hoofd had hij een pet die een beetje te groot was, als hij z’n hoofd bewoog zakt het ding bijna over z’n ogen. Jan grimaste even. Hij voelde zich knap opgelaten in het pak maar liet niets merken. Mevrouw Regagneau was nergens te bekennen, wat iedereen eigenlijk wel prettig vond. Ze bekeken het huisje nu grondig en ontdekten de schuur met allerlei gereedschap. Binnen bekeek Lies de keukenspullen en de meubels en bedstee. Zouden ze met z’n allen in dat ding moeten vroeg ze zich af. Het was een leuk huisje vond ze. Rouweneel kwam binnenstappen en vroeg of ze meeging naar het grote huis, daar konden ze de andere bewoners ontmoeten.
Nog steeds geen spoor van Rie. Na een tijdje begon Hendrik ongerust te worden.
Je wist het met Rie maar nooit. Gedrieën gingen ze op zoek en vonden haar in het kantoor van de heren Van den Bosch. Rie stond te schreeuwen en te huilen dat ze terug wilde. Dat ze die kleren niet aan wilde, dat ze niet in dat huis wilde wonen, niet wilde werken, niets niets niets. Ze stond te stampvoeten van kwaadheid. Johannes probeerde haar te kalmeren en Benjamin stond er een beetje onbeholpen bij. Hendrik stapte op haar af en sleurde haar naar buiten, Rie bleef vloeken en schreeuwen. Hendrik zei niets totdat hij haar het huis binnen duwde en de deur voor de kinderen hun neus dicht gooide. Jan en Lies hoorde Rie hard gillen maar opeens was het stil. Hendrik stapte buiten adem naar buiten. ‘Daar hebben we voorlopig geen last van.’gromde hij.
Lies gluurde naar binnen en zag Rie doodstil zitten voor het raam. Ze zag spierwit.
Hendrik was kapot, hij kon niet meer. Inwendig vervloekte hij zichzelf dat hij ooit die vrouw in huis had gehaald. Het was niets dan ellende met haar.
Benjamin en Johan kwamen aanlopen en spraken Hendrik aan. Op zeer formele en afstandelijke toon werd hem door Johan te verstaan gegeven dat dit gedrag niet getolereerd werd. Benjamin verzachtte het wat door te zeggen dat het vermoedelijk de vermoeidheid was en de spanning. Het zou morgen vast beter gaan, dan zou ze zien hoe veel geluk ze had dat ze hier terecht kon.
Hendrik had zo z’n twijfels maar hield die voor zich. Lies en Jan stonden er zwijgend bij. Lies nam zich voor nooit zoals deze vrouw te worden.
Er klonk een bel en de heren vertelden dat ze naar de centrale keuken konden gaan om hun eten te halen. In huis waren pannen die ze mee moesten nemen. Rie liep even later stilletjes en gedwee mee.
Jan was eigenlijk wel benieuwd wat Hendrik gezegd had, hij had niet verwacht dat de zachtaardige Hendrik dit voor elkaar kon krijgen. Hendrik knipoogde naar Jan alsof hij z’n gedachten kon lezen.
Tijdens het eten bleef Rie zo mak als een lammetje, ze was zelfs vriendelijk tegen iedereen en gaf Jan wat eten van haar toen hij opmerkte dat hij nog wel meer gelust had.
Lies dacht aan Rouweneel. Ze miste hem een beetje, hij was steeds zo aardig geweest en eigenlijk had ze door hem toch wel naar Frederiksoord gewild. Ze vroeg zich af of Jeltje het alleen wel zou redden. Was zij maar hier dan was alles toch wel makkelijker geweest…
Na het eten stak Rie de olielamp aan, en Hendrik wakkerde het vuur in de haard aan. Ze bespraken waar iedereen zou slapen. Zowel Jan als Lies wilden op het zoldertje slapen. Volgens Hendrik gaf het geen pas als ze daar samen zouden slapen. Maar hij wist er wel wat op. Hij liep naar buiten en kwam terug met twee strootjes. Wie het langste strootje trok mocht boven slapen. Vol spanning trok Jan zijn strootje en teleurgesteld keek hij naar het kleine eindje. Lies lachte en was enorm blij. Ze ging gelijk het laddertje op en begon de strozak op te kloppen en plofte er op, eindelijk alleen! Eindelijk een plek voor haarzelf.
Jan legde zijn strozak in de hoek van de kamer en trok het laken en de deken strak. Hij was helemaal niet gewend aan een laken en vond het allemaal maar kraken, maar het rook wel lekker.
Hendrik en Rie maakten ook aanstalten om de bedstee in te kruipen maar Rie wilde zich niet uitkleden waar Jan bij was. Hendrik moest het laken van het bed halen en breed uitgespreid open houden zodat Jan niets kon zien. Jan hoorde of zag niet eens meer wat. Hij was doodmoe van alle indrukken die hij die dag opgedaan had en sliep onmiddellijk.
Rie lag te draaien en woelen, ze miste haar oude buurt en had vreselijke spijt dat ze meegegaan was. Ze zag het helemaal niet zitten om te wonen in die paar straatjes. Benjamin van den Bosch had verteld dat ze moest spinnen, zo kon ze haar kleren en de huisraad terugbetalen. Als dat eenmaal gebeurd was dan mochten ze het verdiende geld zelf houden. Maar dan moest ze eerst wel leren spinnen. Ze zou Lies wel achter haar vodden zitten. Met die dunnen vingertjes zou ze vast makkelijk draden kunnen draaien. Ze dacht aan haar vader en moeder en likte haar lippen. Ze zou er heel wat voor over hebben om nu een jenevertje te kunnen nemen. Dan hoefde ze niet meer te denken en werd alles makkelijker.
Hendrik had andere problemen, hij was erg geschrokken van Rie, zoals ze tekeer was gegaan in het kantoor. Hij voelde opnieuw de schaamte. Hij kende haar door en door en vreesde het ergste. Als ze maar haar fatsoen wist te houden en niet steeds tegen iedereen begon te schreeuwen. Hij hoopte dat de kinderen haar genoeg af zouden leiden en glimlachte toen hij dacht aan Jan. De jongen leek zo stug maar had een klein hartje. Hij had gemerkte hoe voorzichtig Jan de deken hoger trok toen ze op het dek lagen. Hoe bezorgd Jan had gekeken toen hij het zo benauwd had. Hendrik vond de kinderen een zegen. Lies met haar vrolijke gezicht had hij gelijk in z’n hart gesloten. Ongelofelijk hoe puur dat kind nog was. Hij moest oppassen dat niet alle kerels achter haar aan gingen lopen en haar lastig gingen vallen. Met haar vrolijke knappe gezicht zou ze heel wat mannen aantrekken.
Uiteindelijk werd het stil in het huis. Iedereen sliep.
De volgende ochtend werden ze in alle vroegte gewekt. Eten en werken luidde de boodschap.
Lies en Rie moesten naar het grote gebouw komen, naar de spinnerij om te leren. Jan en hendrik kregen onderricht in het spitten. Een man deed het voor en de rest moest hem nadoen totdat ze de slag te pakken hadden. Jan leerde snel en kon het werk makkelijk aan. Hendrik daarentegen snakte naar adem en moest duizelig op de grond gaan zitten. Hij haalde fluitend adem, zijn gezicht werd grauw. De man die les gaf schrok enorm, hij dacht dat Hendrik het loodje zou leggen. Hendrik gebaarde dat het wel ging maar elke keer als hij het weer probeerde moest hij het na enkele minuten opgeven. Hij redde het gewoonweg niet. Benjamin en Johannes kwamen hun ronde doen en toen zij Hendrik amechtig op de grond zagen zitten keken ze elkaar aan. Dit was niet de afspraak. Er zouden alleen mannen gestuurd worden die gezond waren en fit genoeg om het zware landwerk te kunnen doen.
Onmiddellijk schreef Benjamin een brief vol verwijten naar Assenhof. Hoe had hij het kunnen doen, deze man die in zo’n slechte conditie was naar Frederiksoord te sturen?
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten