donderdag 6 november 2008

4 Hendrik

Hendrik liep naar huis met een hoofd vol plannen. Zijn vrouw moest begrijpen dat dit hun enige kans was om uit de ellende te raken. In gedachte zag hij zich buiten in de frisse lucht werken. Plots versomberde hij, hoe kon hij met dit lichaam het werk doen wat ze van hem verwachten? Hij hield al nauwelijks het weinige timmerwerk vol. De hamer werd steeds moeizamer te hanteren. Soms kwam hij zoveel lucht tekort dat hij dacht dat zijn laatste uur geslagen was.
Hij bekeek zijn kromme handen, en schraapte met een hand langs zijn kin, uit zijn stoppelbaard vielen houtschilfers. Hoe heeft het zover kunnen komen mompelde hij in zichzelf.
Zover hij kon rechtte hij zijn rug. Er was nu een kans om weer op te klimmen. Hij kon veel en misschien wilden ze hem wel voor ander werk gebruiken als de landarbeid niet ging. Hij zou laten zien dat hij een fatsoenlijk mens was. Zelfs nu had hij altijd nog zijn waardigheid behouden. Ondanks de honger had hij zich niet weten te verlagen tot bedelarij.
‘Hé daar heb je verwaande Henkie’ schreeuwde een vrouw. ‘Heb je het nog steeds zo hoog in je bol. Kapsoneslijer. Jij woont ook maar in een stinkende smerige kelder, je bent niets meer of minder dan ons. En dat wijf van je is een zuiplap, mijn kerel zuipt tenminste niet. Jij hebt ook niets te vreten net als wij dus doe maar niet alsof jij te goed voor ons bent.’
Hendrik voelde een ijzige kramp in zijn borst, zijn handen balden zich tot vuisten. Woede welde in hem op maar hij wist, de vrouw had gelijk. Hij had niets en niemand om trots op te zijn.
Zijn kleren waren afdankertjes van meneer Assenhoff en van andere mensen waarvoor hij gewerkt had. Hij klemde zijn lippen op elkaar en probeerde de vrouw te negeren. Scheldend liep ze achter hem aan totdat hij eindelijk zijn woning in kon. Nog even, dacht hij, en ik ben verlost van deze buurt, deze kelder. Hij huiverde, het vuur was weer eens uit, hij pakte de zak met houtsnippers en met veel moeite kreeg hij de vlam er in, alles was klam hier wist hij. Toen hij rondkeek leek het net of hier nog nooit geweest was, alsof hij voor de eerste keer in de kelder was. Door het harde werken was hij vaak zo moe thuisgekomen dat niet eens meer de erbarmelijke staat van de kelder tot hem doordrong. In de hoek stond hun bed op hoge poten. Zo werd de strozak tenminste niet nat als het regenwater weer eens de kelder in liep, daaroverheen lag de dunne deken, vol gaten. Bij het kelderraampje, dat hoog tegen het plafond zat, stond de oude tafel en twee wankele krukjes. Op de tafel een kaarsstompje, olie voor de lamp hadden ze zich allang niet meer kunnen veroorloven. Bij de deur naar het kleine binnenplaatsje lagen een paar groezelige doeken op een plankje. Daaronder hing de oude kist met riemen aan de muur. Daarin zaten de enkele boeken die hij niet weg had kunnen doen. Zijn vrouw wist dat ze daar nooit aan mocht komen. Die gingen niet naar de lommerd, die werden niet verkocht of geruild voor jenever. Hendrik schudde zijn hoofd en voelde zich ineens enorm somber. Weg was zijn blijde stemming. Hij ging het nooit redden in Frederiksoord. Hij kon nu al amper meer lopend in de haven komen.. Hoe moest hij het in Godsnaam met dit lijf voor elkaar krijgen om te werken op het land. Misschien dat de weesjongen hem kon helpen…
De gedachte aan de twee kinderen vrolijkte hem op. Hij had graag kinderen gehad maar zijn twee overleden vrouwen waren te zwak geweest. Ze waren wel zwanger geweest maar hadden voortijdig de kinderen verloren. Eén kind had een week geleefd, een jongetje, Thijsje had hij hem genoemd. Hij had gelijk al geweten dat het tere mannetje het niet zou redden. En nu had hij eindelijk een gezonde, sterke vrouw maar zij dacht alleen maar aan drank. Hij was stom geweest haar in huis te halen. Ze was zo vriendelijk voor hem geweest na de dood van zijn tweede vrouw en hij had medelijden met haar gehad. Mooi was ze niet, de meeste mannen liepen met een grote boog om haar heen. Ze woonde toentertijd nog steeds bij haar ouders. Hij dacht dat hij haar een plezier zou doen door haar een eigen thuis te geven. Destijds woonde hij nog niet in de kelder. Maar toen ze eenmaal bij hem ingetrokken was bleek dat ze elke dag naar haar oude buurtje ging en zijn weinig verdiende geld gebruikte om jenever voor haar en haar ouders te kopen. Soms zag hij haar dagen niet, dan sliep ze bij haar ouders.
Een enkele keer verbood hij het haar om te gaan, vooral als hij geen werk had, dan moesten ze toch al zo oppassen om tenminste iets te eten te kunnen kopen. Ze gingen dan samen aan het eind van de dag naar de markt om tussen het afval te zoeken naar eetbare spullen. Vaak waren het verrotte uien of aardappelen. Rie schold hem dan altijd uit en zei dat ze er mooi ingetrapt was. Ze had gedacht in een goed huis te komen wonen en warme kleren te hebben. Als hij dan zei dat zij alles opzoop dan begon Rie te schreeuwen dat ze jenever dronk omdat ze dan geen honger voelde.
Hij haalde grimmig zijn schouders op. Als het goed was dan zou ze in Frederiksoord geen jenever meer nodig hebben. Daar zouden ze altijd te eten hebben. Verdult waar was ze eigenlijk, ze moest morgen mee, als het niet goedschiks ging dan maar kwaadschiks. Hij liep naar de binnenplaats met een van de doeken en doopte die in de emmer met regenwater. Met zijn kromme handen viel het hem moeilijk zijn gezicht schoon te vegen. Het water stonk en uit de doek kwam een zure lucht maar toch voelde Hendrik zich wat beter na de wasbeurt. Ze zal wel weer bij haar moeder of bij opoe zitten. Hoe kreeg hij haar daar bijtijds weg…
Hij liep de kelder uit en zag tot zijn grote schrik zijn vrouw stomdronken het huis van haar ouders komen. ‘Ha daar hebben we Henkie, heb je geld? Pa en moe willen nog wel een druppel.’
Woede schoot in hem omhoog. Hij sloeg zijn arm om haar heen en dwong haar zo mee naar huis. Rie strompelde naast hem en voort. ‘Hee Henkie, heb je centen meegebracht? Of moeten we weer rotte aardappelen vreten? Henkie, Henkie, Henkie, heb je nog wat te schenkie? zong ze lallend om vervolgens gillend van de lach om haar eigen liedje bijna over haar eigen benen te struikelen. Ze greep Hendrik bij zijn jas waardoor er een flinke scheur in de dunne stof kwam. ‘Kijk nou!’, riep ze, ‘mijn kapsoneshenkie met een gat in zijn jas. Komt dat zien, komt dat zien. Meneer Henk heb nu een jas in een gat. Ze lachte zo hard dat ze opnieuw bijna omviel. Hendrik moest zich beheersen om haar geen klap voor haar hoofd te geven. ‘Stil’, siste hij, ‘houd je bek, nu!’ Oh m’n Henkie is boos!’ Jende ze hem. ‘Hij zegt bek, mijn Henkie. Mag je dat wel zeggen Henkie, Henkie?’
Rie zwalkte alle kanten op en Hendrik moest haar nu met beide armen om haar schouders vasthouden om haar de goede richting op te sturen. Ze hing achterover tegen hem aan en plotsklaps begon ze te braken. Hendrik wendde zijn hoofd af en hield zijn adem in om de zure dranklucht niet te hoeven ruiken. Haar omslagdoek viel in het braaksel en ineens begon Rie te huilen. ‘Mijn mooie doek! Die heb ik van m’n opoe gehad, jammerde ze en probeerde de doek te pakken maar viel voorover. Hendrik kon haar niet meer tegenhouden. In haar eigen braaksel lag ze te huilen om haar doek.
‘Rie, Rie, Rie je maakt het wel weer erg bont’, hoorde Hendrik naast zich zeggen. Het was Sijmen, de broer van Rie. ‘Kom Rietje, we brengen je naar huis.’ Sijmen pakte de doek op en hield hem met een vies gezicht bij een punt vast.
Hangend tussen de twee mannen in, sleepten ze Rie de kelder door naar het binnenplaatsje. Daar probeerden ze haar voorzichtig tegen de muur te zetten. Rie zakte onmiddellijk door haar benen en plofte op de stoep. Klagend zat ze voor zich uit te jammeren, duidelijk niet meer wetend wat ze deed en waar ze was. Hendrik doopte de doek in het water en wrong hem uit boven Rie’s hoofd. Rie begon te vloeken en te schreeuwen maar Hendrik duwde de doek in haar gezicht en veegde ruw haar gezicht schoon om daarna haar kleren schoon te wrijven.
Haar schort zat vol met braaksel. Hendrik verwonderde zich over de hoeveelheid, zoveel hadden ze niet te eten de laatste tijd.
Sijmen hielp Hendrik om het schort af te doen, Rie stribbelde hevig tegen. Daarna namen ze haar weer tussen zich in en liepen de kelder in om haar daar op het bed te leggen.
Hendrik ademde zwaar, de inspanning had hem erg benauwd gemaakt. Sijmen keek hem bezorgd aan. Die man is zwaar ziek dacht hij. Hij wist dat Hendrik het zwaar had met zijn zuster. Hij kon ze nu maar beter alleen laten en stak zijn hand op ten afscheid, maar Hendrik gebaarde hem te blijven en mee te gaan naar de binnenplaats. Sijmen pakte de twee krukken en liep achter Hendrik aan.
‘Je moet haar kort houden’ zei hij. Het is een helleveeg, altijd al geweest. Ze denkt aan niemand behalve aan zichzelf. Ze was niet voor niets nog steeds niet getrouwd. Iedereen kende haar hier en alle kerels renden liever weg dan met haar aan te pappen.’
Hendrik hapte nog naar adem. ‘Gaan weg’, wist hij er met moeite uit te brengen, ‘Frederiksoord, Ammeshoff geregeld.’ Verrast keek Sijmen hem aan. ‘Je hebt gelijk Henk, ik zou ook bij haar weglopen. Dit is een verschrikking. Maar wat zei je nou? Frederiksoord? Dat is toch die kolonie? Je pakt het wel gelijk goed aan, daar komt ze je niet achterna.’
‘Nee, schudde Hendrik, ‘Rie mee, morgen nuchter, Ammeshoff, praten.’
‘Kerel je bent gek!’ riep Sijmen. ‘Rie mee naar de kolonie? Dat gaat nooit goed.’
‘Jawel, daar geen jenever, niets! stamelde Hendrik. ‘Is goed, twee kinderen ook.’
Sijmen plofte met zijn rug tegen de muur en keek Hendrik verbijsterd aan. ‘Rie en jij én twee kinderen? Hoe krijg je het in je kop man. Rie en kinderen dat is water en vuur. Die krijgen geen leven bij haar.’
Hendrik knikte heftig. ‘Is heel goed, ze moet wel. Hier niets meer. Laatste kans.’
Sijmen begon te lachen. ‘Hendrik, je verbaast me steeds weer. Wacht ik haal Greetje, dan kan jij ondertussen op adem komen.
‘Neem kruk mee.’ knikte Hendrik.

Even later zaten Hendrik, Sijmen en zijn vrouw Greetje op de binnenplaats. Hendrik vertelde wat hij van Ammeshoff gehoord had en dat hij morgen naar zijn kantoor moest komen met Rie. Rie wist nog van niets en hij wist niet hoe hij het aan moest pakken. Als ze vannacht wakker werd had je grote kans dat ze weer het huis uit glipte. En nu had ze haar omslagdoek en schort ook nog besmeurd.
Kordaat besliste Greetje dat Sijmen de nacht bij Hendrik zou blijven. Ze zouden om beurten waken of wie weet kon Hendrik wel voorlezen uit een van zijn boeken, dan kwam zij er ook bij zitten.
Greetje zou ook voor schoon goed zorgen.
Hendrik voelde langzaam de spanning van zich af glijden. Morgen zou het in ieder geval wel lukken en de rest zou hij later wel weer zien.
Greetje nam de vuile kleding mee en kwam even later terug met een kaars en een pannetje eten voor Hendrik. Deze schrokte het naar binnen en na de warme maaltijd voelde hij warmte en optimisme in zijn lijf terugkeren. ‘Het zal allemaal wel goed komen. Rie is ook de kwaadste niet’ zei hij.
Waarop Sijmen en Greetje diep zuchtten. Hendrik bleef een aparte.

Totaal 7123 woorden

Geen opmerkingen: