Lies en Jan 1 november 1818
In alle vroegte kwam het rijtuig voorrijden. Lies stond al klaar in de hal. Krakeel pakte haar stevig vast en schudde haar heen en weer. ‘Gedraag je daar! Zorg dat ze niets over je te klagen hebben', siste ze Lies venijnig toe. Hier hoef je nooit meer terug te komen, je bent nu zestien en over twee jaar had je toch weg gemoeten. Knoop het in je oren, je ben in dit huis niet meer welkom, nooit meer! Hoe minder monden te voeden in deze ellendige tijd hoe beter.’
Lies voelde de grond onder zich wegzinken, ergens in haar achterhoofd had ze nog steeds het plan gehad meneer Rouweneel te vragen of ze mee terug mocht als ze het verschrikkelijk vond in Frederiksoord. Deze hoop was nu door de woorden van Krakeel in rook opgegaan .
Ze werd naar buiten geduwd en achter haar sloeg de deur voorgoed dicht.
Met een brok in haar keel liep ze naar de koets.
Opeens voelde ze twee armen om haar heen en twee lippen gaven haar een harde zoen op haar wang.
‘Jeltje! Hoe kom jij hier?’
'Ik ben niet naar de pastorie gegaan vanmorgen maar heb gewacht op jou. Hier…' ze duwde Lies een pakje in haar handen, ‘voor jou! Maar nu moet ik echt weg, ik krijg toch al op m’n donder denk ik. Dag Lies, hopelijk zien we elkaar later weer. Ik ga proberen of ik ook naar Frederiksoord mag komen.’ Na nog een kus holde Jeltje weg.
Laat Krakeel het niet zien bad Lies in zichzelf. Rennen op straat was streng verboden, zelfs de kleintjes moesten altijd rustig in de rij lopen.
De deur van de koets zwaaide open. ‘Kom Lies, we moeten gaan.’ riep Rouweneel. ‘Anders komen we te laat en de schuit wacht niet, hij vertrekt met of zonder ons.’
Snel stapte Lies in, onmiddellijk vertrokken ze om tien minuten later te stoppen. Ze waren er al.
‘Nou dat stukje had ik ook wel kunnen lopen’ mompelde Lies.
‘Ja dat had gekund’ antwoordde Rouweneel, maar dan hadden jouw en mijn kleren onder de prut gezeten. Na al die regen is het een modderboel. Hier aan de kade liggen gelukkig klinkers.’
Rouweneel was verrast geweest toen hij Lies in de koets had zien stappen. Door de kleding was het een heel ander meisje geworden. Hij zag nu een mooie jonge vrouw. Doordat ze niet gewend was aan een jas en de soepele stof van haar reiskleding bewoog ze zich voorzichtig, alsof ze bang was dat haar jurk kapot zou gaan door te heftige gebaren. Ze had daardoor een verfijnde elegantie gekregen.
Nadat ze uit de koets gestapt waren keek Lies rond en alles wat ze zag vulde haar met verwondering. Op de kade stonden allemaal paarden en mensen in net zulke reiskleding als zij, kinderen renden rond. Grote tonnen en pakketten werden op de schepen gezet. Verderop stond een groep mannen te praten. De schepen had ze wel eens door de gracht voor het weeshuis zien varen, maar ze wist niet dat er zoveel schepen bestonden en zag nu dat ze allemaal verschillend waren.
Kijk, wees Rouweneel, op dat schip moeten we zijn. Ze zag een lange, lage platte boot met in het midden een opbouw met kleine raampjes. De punt van het schip wees sierlijk omhoog.
‘En nu is het wachten op Jan, hopelijk is hij op tijd.’ Zoekend keken Lies en Rouweneel de kade over.
Jan
Na het grote nieuws dat hij zou vertrekken kon niets Jans’ humeur meer kapot krijgen.
Hij had het aan niemand verteld. Hij had al vroeg geleerd zijn eigen weg te gaan. Iedereen noemde hem ‘de stille’ omdat hij alleen het hoognodige zei. Een enkele keer vertelde hij wel eens wat hij die dag had beleefd maar voor de rest kwam er meestal alleen een ja of nee uit zijn mond. Dit tot grote ergernis van de paters. Ze kregen maar geen greep op hem.
De jongens in het weeshuis trokken sowieso weinig met elkaar op, na de lange dagen van hard werken rolden ze meestal na het eten het bed in om in alle vroegte weer aan de slag te gaan.
Jan had nog de taak de jongere kinderen in bed te krijgen wat nog een lastige klus was. Om 7 uur moesten ze er in liggen. Een van de paters kwam dat steevast controleren. De kinderen lagen vaak dwars, ze hadden geen zin om de bedompte zaal in te gaan. Jan wist wat voor verschrikkelijke hekel hij zelf aan die zaal had gehad en begreep het wel. Het stonk er en vooral ’s winters kon je er nauwelijks ademhalen. Maar als de kinderen er niet op tijd in lagen dan kreeg hij het te verduren. Dan gaven de paters hem een extra taak zodat hij pas heel laat kon gaan slapen.
Maar ook dat kon hem nu niets meer schelen. Hij ging toch weg.
De avond voor zijn vertrek kreeg hij een stel kleren in zijn handen gedouwd. ‘Voor de reis.’ Zei de pater die het hem gaf. Dat was het enige wat hij te horen kreeg.
Die nacht kon hij nauwelijks slapen van opwinding. Hij dacht aan de woorden van meneer Drevel.
Hij had geen idee waar Frederiksoord was maar dat maakte hem niets uit. Wel was hij benieuwd hoe het daar zou zijn. Zou hij het echt beter krijgen daar? Hij zou goed leren lezen en schrijven maar wat betekende werken op het land? Hij had al van alles moeten doen maar dit nog niet. Zouden ze echt elke dag te eten krijgen en zou niemand hem meer afblaffen? Het lukte hem nauwelijks om in slaap te vallen. Elke keer schrok hij na korte tijd wakker en waren zijn gedachten gelijk weer bij de reis en de kolonie.
De volgende dag nam niemand afscheid van hem. Met zijn bundeltje oude kleren vertrok hij naar de Veerkade. Niemand zou hem ooit in het weeshuis terug zien. Daar zou hij wel voor zorgen.
Onderweg vermeed hij zoveel mogelijk de modder op de straten, het had de laatste dagen veel geregend en door de vele passerende rijtuigen was de hele weg veranderd in een modderige brij.
Midden op de weg was een koets vastgelopen. De paarden trapten en briesten wild. De koetsier had grote moeite ze in bedwang te houden. Vlug dook Jan een steeg in, hij wist dat hij anders geroepen zou worden om te komen helpen. In de verte hoorde hij de klepper, hij moest opschieten anders kwam hij nog te laat. Hij zette het op een rennen en was al snel op de Veerkade. Nu nog die Elizabeth en meneer Rouweneel zien te vinden. De paters hadden hem de plek verteld waar ze op hem zouden wachten. Hij had niet verwacht dat het zo druk zou zijn. De klepperman had een groepje mensen om zich heen staan die allemaal met het schip mee wilden.
Jan wrong zich door de groep mensen heen. Ze hadden afgesproken voor herberg De oude poort. Inderdaad zag Jan daar een man en een meisje staan. Hij bleef even staan om ze in zich op te nemen. Het meisje keek zijn kant op maar haar ogen gleden zoekend verder. Ze denkt zeker dat ze naar een klein jongetje moet uitkijken dacht Jan. Ze had wel een leuk gezicht. De man naast haar keek hem nu onderzoekend aan. Ineens werd Jan zenuwachtig, het begon nu echt spannend te worden. Hij haalde eens diep adem en stapte op de twee af. Toen hij vlakbij was vroeg de man of hij Jan was, waarop hij kort knikte. Met de woorden ‘Dit is Lies, en ik ben Rouweneel’ stelde hij hun voor. ‘Ik ben dus Jan.’
Even viel het stil. Lies bekeek Jan en ze zag een stevige lange jongen, met heel blauwe ogen en blond vlassig haar, heel anders dan de kleine magere jongen die ze zich voorgesteld had.
Ook Jan was verrast. Hij had de weeshuismeisjes zondags wel naar de kerk zien lopen en had een meisje verwacht in weeshuiskleren, niet een meisje in mooie kleren.
‘Heb jij ook nieuwe kleren gehad? Vroeg ze. Naar zijn broek en jasje kijkend. ‘Ik wel, en het voelt heel raar.’ Daarmee was het ijs gebroken.
Rouwevoet lachte en bekeek beiden eens goed. ‘Jullie zouden wel broer en zus kunnen zijn, jullie hebben dezelfde blauwe ogen.’ Verrast keken de kinderen elkaar aan en begonnen ook te lachen.
‘Nou, giechelde Lies, hij wordt wel m’n broer en wie weet is het ook mijn echte broer.’ Ze fantaseerde gelijk erbij dat hij door dezelfde moeder te vondeling was gelegd. Maar Rouweneel rekende snel en moest haar teleurstellen. Dat was echt onmogelijk. Zo snel achter elkaar konden vrouwen geen kinderen krijgen. Teleurgesteld zuchtte Lies. He jammer, had ik bijna een echte broer gehad, maar nu heb ik toch een beetje een echte broer en dat vind ik ook wel leuk.’
Rouweneel zag Jans verlegenheid na haar woorden: ‘Kom we gaan aan boord, de boot al nu wel snel vertrekken'en duwde de kinderen voor zich uit richting het schip.
Ze stapten de trekschuit op en liepen naar het lage deurtje. Het was lastig om met gebogen hoofd onder de deurpost door te komen omdat daarachter een klein trapje naar beneden voerde. Lies moest haar rokken vasthouden om er niet op te trappen. Gelukkig bood Rouweneel haar zijn hand zodat ze daar steun aan had.
Als ze de roef binnengestapt is kijkt Lies haar ogen uit. Aan twee kanten zijn lange banken en daar zitten allerlei soorten mensen. Aan het eind van de linkerbank zit een dikke man met een donker broek en grijsblauwe jas die open staat. Hij heeft zijn benen uitgestrekt voor zich uit en op zijn ronde blozende hoofd staat wiebelig een hoge hoed. De man slaapt en maakt daarbij zo’n enorm lawaai dat praten bijna niet mogelijk is. Naast de man zit een broodmagere vrouw in het zwart. Ze tuurt in een boek en herhaaldelijk maakt ze lichte snuifgeluidjes en schud haar hoofd. Op het kleine tafeltje voor haar ligt nog een boek.
Tegenover de man en de vrouw zit een kleine jongen die gefascineerd kijkt naar de hoed van de man. Bij elke ademhaling gaat de hoed een klein stukje naar voren om daarna weer terug te vallen.
Naast het kind zitten een jonge man en vrouw. De man zit schuin op de bank met de stapel papieren die hij in zijn hand heeft naar het kleine raampje gericht. De vrouw in een mooie lichtblauwe japon met een muts in dezelfde kleur houdt het kind in de gaten.
Rouweneel zegt de mensen gedag en prikt het jongetje in zijn wang. Het kind schrikt op, loopt naar de jonge vrouw en duwt zijn hoofd in haar schoot. Daarna gluurt hij telkens naar Rouweneel en Jan en Lies. Deze laatste twee staan beetje onwennig te kijken en weten niet goed wat ze moeten doen totdat Rouweneel aangeeft dat ze kunnen gaan zitten. Jan ploft in de hoek aan het andere uiteinde van de bank en Lies gaat verlegen naast hem zitten. Rouweneel neemt plaats tegenover de twee kinderen. Stilzwijgend staren ze een beetje voor zich uit. Langzamerhand druppelen er meer mensen binnen. - De klepperman had zijn klepper al laten horen.- Al snel zijn alle plaatsen bezet en moet Lies opschuiven, tegen Jan aan. Prettig vindt ze dat niet. Jan zegt niet veel, het lijkt wel of hij kwaad is, denkt ze. Als ze richting Rouweneel kijkt geeft hij haar een knipoog. Een blos schiet over haar wangen. Het liefst zou ze de boot af gaan en heel hard terug rennen naar Jeltje.
Een man kwam binnenlopen en plaatste warme stoven voor de dames hun voeten waarna de aanweige heren een muntstuk in zijn handen duwden. Wil jij ook een stoof, vroeg Rouweneel? ‘Nee, dankuwel’ fluisterde Lies verlegen terug.
Naast haar stak een man een pijp op nadat hij beleefd gevraagd had of de dames het goed vonden. Alsof de overige aanwezige mannen gewacht hadden op dit signaal stak de een na de ander een pijp of sigaar op.
Binnen de kortste tijd stond de kajuit vol met rook. Lies voelde het in haar keel kriebelen en hoestte een beetje. Ze hoorde een bel klingelen en kort daarna viel ze bijna van de bank. Met een schok was het schip in beweging gezet.
Ze grijnslacht zenuwachtig naar de pijproker. Steeds vaker kriebelt haar keel van de rook en ze is blij als Jan vraagt of ze mee naar buiten gaat. Op het dak van de roef zitten enkele mannen die Lies goedkeurend bekijken. Een man licht zelfs zijn hoed op en knikt haar gedag. Verlegen klikt Lies terug. Ze had liever gehad dat er niemand was, ze heeft zoveel gezien en gehoord, ze wil graag alleen zijn.
Jan pakt haar bij haar mouw, ‘Kom zegt hij, we gaan daar zitten.’ Hij wijst naar de punt van het schip waar twee houten vaten naast elkaar staan. Met hun zijkant naar de mannen staren ze een tijdje stilzwijgend naar het water en de oever. Het enige wat ze horen zijn de stemmen en verder weg de hoeven van het paard dat het schip trekt. Lies zucht eens, plotseling is ze bang. Het is allemaal zo vreemd. Ze heeft nooit iets anders gezien dan de straten naar de kerk en nu zit ze hier op een schip, op weg naar Amsterdam. Op weg naar vreemde mensen waar ze bij moet wonen.
‘Ben jij niet bang?’ vraagt ze aan Jan.
‘Nee, waarvoor? Slechter dan ik het had kan ik het niet krijgen.’
‘Ik ben wel bang’, zodirect zijn het hele nare mensen en daar moeten we dan bij wonen. En meneer Rouweneel vertelde dat ik moet leren spinnen en daarmee verdien ik dan geld en zodirect kan ik het niet. En wat dan? Gaan ze me dan ook slaan? Zouden zij mij ook brutaal vinden omdat ik zoveel vraag? En ik moet leren lezen en schrijven, dat kan ik wel een beetje maar niet goed. Zodirect lukte het me niet, en waarvoor moet ik dat leren? Wat heb ik daar nou aan?
‘Alles wat je leert is misschien handig voor later.’ Zei Jan. ‘Je weet maar nooit waar het goed voor is. Wie weet kom je later wel bij een blinde mevrouw te werken en als ze merkt dat jij kan lezen en schrijven dan mag jij misschien brieven voor haar schrijven of voorlezen uit een boek.’
Lies schaterde het uit. ‘Die mevrouw zoekt wel iemand anders uit dan ik. Ik ben een dienstmeid hoor geen deftige dame. Jan hield stug vol. ‘Je weet maar nooit.’
Even later wees Lies naar een beest in de wei. Wat is dat? Jan keek haar ongelovig aan. ‘Weet je dat niet?’
‘Nee hoe moet ik dat nou weten.’snauwde Lies. Ik ben nog nooit weggeweest. Ik mocht alleen op zondag naar buiten, naar de kerk. Of weet je zelf ook niet wat het is?'
‘Dat is een schaap,‘ bromde Jan, dat grijze is hun vacht en dat scheren ze in de lente af en dan spinnen ze daar wol van. En daar maken ze weer kleren van,' vertelde Jan, toch wel een tikje trots dat hij dat wel wist.
Lies begon te lachen. Echt waar? Hoe kan dat nou? Dat is toch vies? En hoe kunnen ze dáárvan nou kleren maken. Jan, die overal had moeten werken vertelde dat de wol inderdaad heel vies was als het binnenkwam maar dan werd het gewassen en vaak werd het dan heel mooi wit. De vrouwen in de spinnerijen namen dan een klein puntje van de baal wol en sponnen er draden van. Je kon de wol in allerlei kleuren verven maar het meestal kleurden ze het zwart omdat daar veel naar gevraagd werd. Andere vrouwen breiden van de wol truien of er werden doeken van geweven. Dat zou ze straks in de kolonie wel allemaal te zien krijgen.
Even later vroeg Lies wat dat voor beest was. Werden daar ook truien van gemaakt? Jan geloofde haar nu echt niet. Heb jij nog nooit een koe gezien?
Lies kleurde en voelde zich heel dom. ‘Nee’ zei ze zachtjes ik ken alleen honden, paarden, katten, muizen en ratten. Maar maken ze van een koe ook truien?' Jan legde haar uit dat ze van de koe haar vel gebruikten en dat die dingen die je onder haar buik zag hangen uiers waren. Daar kwam melk uit. Ze kende toch wel melk? Ja, knikte Lies, 'maar komt dat daar vandaan?' Ze vond het maar een raar idee dat ze dat gedronken had. Jan vertelde verder dat van de huid van de koe schoenen werden gemaakt en zittingen van stoelen en nog veel meer. Lies vroeg hem honderduit en Jan vertelde haar geduldig hoe het hele proces verliep. Hij vertelde er niet bij dat hijzelf alleen de huiden had moeten schoonmaken en hoe smerig dat was.
Dus ik loop op een koeienvel? vroeg Lies. Ja, eigenlijk wel beaamde Jan.
Even later schrokken ze op, het luik van de roef werd opengedaan en er kwam een grote hoeveelheid rook naar buiten. Even dacht Lies dat er brand was maar toen ze een sigarenlucht rook begreep ze dat al die rook van de pijpen en sigaren kwam.
'Dat Rouweneel niet stikt in die lucht' bromde Jan. 'Ik zit liever hier, dan zie je tenminste ook nog wat.'
Het paard stapte rustig verder. De mannen die op het dak hadden gezeten waren naar binnen gegaan en eindelijk was het rustig buiten. Het was een mooie novembermorgen, de zon scheen en dankzij de hoge boeg zaten ze uit de wind. Onderweg zagen ze allemaal kleine dorpjes en soms zwaaide iemand naar hen. Lies ontspande en genoot, ze zou wel altijd op de boot willen zitten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten