Lies en Rouweneel zaten nu naast elkaar en keken naar de vrouw van Regagneau. Zij voerde het hoogste woord en at met grote happen van het meegekregen brood. Met volle mond vertelde ze de ene grap na de andere. Lies verstond de Amsterdamse nauwelijks. Ze zag dat de vrouw in het blauw het kind op schoot trok en zich een beetje van de luidruchtige vrouw wegdraaide. Het kind stribbelde tegen en Lies kreeg medelijden met het jongetje. Ze stond op en liep naar het stel toe. ‘Zal ik hem even mee naar buiten nemen? Ik ben gewend met kinderen om te gaan.’ De vrouw fluisterde iets tegen de man en deze knikte en las weer verder. De vrouw zette het kind op de grond en stond resoluut op, ‘Ik ga mee, voor je het weet ligt hij in het water.’ Ze pakte haar mantel en trok het kind een jasje aan. Lies pakte ook vlug haar jas en gedrieën stapten ze naar buiten. De vrouw huiverde even maar haalde daarna diep adem. ‘Dit is beter,’zuchtte ze, ‘even rust en frisse lucht, ik werd gek van die vrouw’. Het kind probeerde zich los te wurmen maar de vrouw hield hem stevig bij zijn hand. Lies haalde haar schouders maar op. Wat moest ze zeggen? Dat zij bij die vrouw ging wonen? Zoekend keek ze rond of ze Jan en haar nieuwe vader zag. De schrik sloeg haar om het hart, ze zag niemand.
Ze liepen langs de roef en zagen toen Jan en Hendrik in diepe slaap.
De vrouw snoof, ‘zeker van die armoezaaiers die naar de kolonie gaan.’
‘Ja, zei Lies, ze gaan naar de kolonie en ik ook. Ik kom bij Jan en die meneer te wonen. De vrouw die zo’n lawaai maakte hoort bij die meneer. Dat wordt mijn nieuwe moeder’
De vrouw deinste terug alsof Lies een besmettelijke ziekte had. Met een beschermend gebaar trok ze haar kind tegen zich aan. ‘Hoe kom jij dan aan die kleren? En wie is die man die bij je is dan?”
‘Die meneer brengt ons weg, ik en Jan komen uit een weeshuis in Den Haag en hij, ze wees naar Hendrik, komt samen met die vrouw die zoveel grapjes maakt uit Amsterdam. Ik heb ze vandaag ook pas voor het eerst gezien. Die kleren heb ik gekregen voor de reis.’
‘Arm kind, kom je bij die vrouw? Dat belooft weinig goeds.’
‘Nou ze was heel aardig tegen ons’ vertelde Lies. misschien is ze ook wel zenuwachtig, ik ga ook altijd heel veel praten als ik zenuwachtig ben.’
‘Dat denk ik niet, ik ken dat slag mensen, beloof me dat je uitkijkt voor haar.’
Lies knikte maar wat. Ze geloofde de vrouw niet zo.
Het kind was ondertussen naar Jan en Hendrik gelopen en trok aan de deken maar beiden gaven ze geen krimp. Nu trok hij harder en rende toen snel weer naar zijn moeder.
‘Laat dat Joachim, laat ze lekker slapen, jij vindt het toch ook niet leuk als iemand jouw dekens wegtrekt.’
‘Ik weet wel een leuk spelletje’ zei Lies. Ze hurkte bij het jongetje ‘Kom eens, jij moet eens raden wat ik zie. Het is heel groot en bruin.’ Het jongetje dacht diep na en begon te lachen. ‘Dat’, hij wees naar het zeil. ‘Goed zo’ en nu moet ik iets raden. Het kind vermaakte zich kostelijk, de vrouw deed op het laatst ook mee totdat het te koud werd en ze weer naar binnen moesten.
De rook sneed hun bijna de adem af. Mevrouw Regagneau was kennelijk ook moe geworden en zat te slapen op de bank met haar voeten op een stoof. Hoestend liep Lies naar Rouweneel die daarop het luik openschoof. Onmiddellijk ging er een gemopper op, het tochtte en het was veel te koud.
‘Even een beetje de rook eruit en dan zet ik hem op een kier. De kinderen stikken hier bijna.’
Het was lekker warm in de kajuit, Lies voelde haar wangen gaan gloeien…
Een tijd later voelde Lies een por in haar zij. ‘Wakker worden Lies, we zijn bijna in Blokzijl.’ Slaperig keek Lies om zich heen. Mevrouw Regagneau keek begerig naar Lies’ pakket. Je hebt vast wel een stukje brood en kaas voor je nieuwe moeder zei ze. Haastig pakte Lies de gevraagde spullen.
‘Nee Lies, eerst jij wat eten, dan zij. Ze heeft al genoeg gehad.’ zei Rouweneel streng. Vlug at Lies een paar happen en gaf de rest aan de vrouw die alles razendsnel naar binnen werkte.
Ze stond op en liep naar buiten om even later weer terug te komen met meer brood en kaas. Die man van mij ligt doodleuk te slapen, die heeft dit niet nodig, zei ze en weer werkte ze alles razendsnel naar binnen.
Opeens zei Joachim, ‘Die mevrouw kan veel eten, he mama, ze heeft daarstraks ook al van papa brood gehad.’ En die mevrouw had koek bij zich en daar heeft ze er ook al heel veel van op. En ze heeft ook al het bier opgedronken’
‘Ja kind, kakelde mevrouw Regagneau, ik pak alles wat ik krijgen kan, ik heb altijd honger en dorst en je weet maar nooit wanneer je weer te eten of te drinken krijgt.’
‘Dus u eet liever alles zelf op dan dat meisje haar deel te gunnen?’
‘Ze wilde toch niet meer? Ze gaf het toch aan mij? Wat zit u nou te zeuren.’
Lies hoorde alles verbijsterd aan, ze had nog best veel honger maar ze had gedacht dat die vrouw te vroeg alles op had gegeten. Nu bleek dat ze al heel veel gegeten had! De moeder van Joachim fluisterde tegen Lies, ‘Ik zei het je toch, kijk uit voor de vrouw.’
Lies zag dat ook haar bier, dat ze op het tafeltje gezet had verdwenen was. Ze liep de kajuit uit, bang dat ze zou gaan huilen. Die vrouw had zo aardig geleken. Jan was ondertussen wakker geworden en zachtjes vertelde Lies aan hem wat er gebeurd was. Ze wist niet dat Hendrik alles hoorde.
Even later deed Hendrik alsof hij net wakker werd en riep: Nu heb ik de hele reis gemist, mensen wat heb ik een trek, ik ga gauw eens m’n brood eten. Hij deed alsof hij zocht en Lies kreeg het helemaal benauwd. ‘Er is geen brood meer’, zei ze, dat is, dat heeft… O. knikte Hendik, dat heeft Rie vast opgehaald, die heeft altijd honger. Nou ja, dan heb ik pech gehad’, deed Hendrik luchtig. Inwendig vervloekte hij zijn vrouw. ‘Ik heb wel ergere honger gehad hoor. Straks krijgen we vast wel weer wat.’
Lies haalde opgelucht adem, even was ze bang geweest dat Hendrik dacht dat zij zijn eten had gepikt.
Het bier was er nog wel en dat deelde hij met de kinderen.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten