Lies was ondertussen druk in gesprek met Rouweneel. De koets schommelde en schudde. Ze vond het jammer dat ze niets kon zien, alleen hoog in de koets zat een raampje waar ze alleen de benen van de koetsier door zag, Rouweneel wilde niet dat ze de gordijntjes open trok.
Hij verbaasde zich steeds meer over de naïviteit van Lies. Hoe was het mogelijk dat ze totaal niets wist van de stad en de wereld. Ze had hem verteld dat de meisjes die familie hadden ’s zondags opgehaald werden en dan niet hun weeshuiskleren aan hoefden. Eerst moesten ze naar de kerk maar ’s middags was het doodstil in het weeshuis. Alleen zij en Jeltje bleven binnen. En zelfs dan hadden ze taken zoals voor het avondeten zorgen en de slaapzaal schoonmaken. De meisjes die familie hadden hoefden veel minder te doen. Omdat Krakeel bang was dat ze anders geen geld meer kreeg van de familie. Die meisjes gingen elke dag naar school.
Rouweneel vroeg zich af waarom Krakeel, Lies kwijt wilde. Zij was een gratis dienstmeid.
Alsof zij zijn gedachte kon lezen vertelde Lies dat Krakeel van haar af wilde omdat ze in haar ogen brutaal was. Dat was ze niet vond zijzelf, alleen wilde ze wel altijd veel weten, Krakeel zei dat ze teveel dingen vroeg die haar niets aan gingen. Ze had gevraagd waarom zij bijvoorbeeld nooit nieuwe kleren kreeg zoals de andere weeskinderen die buiten kwamen. Of waarom zij niet in de opkamer mocht komen als er bezoek was.
‘Wat zei ze dan?’ vroeg Rouweneel nieuwsgierig.
“Dat ik daar niets te zoeken had. Dat ik een schande voor het weeshuis was omdat ik geen manieren heb.'
Rouweneel trok een wenkbrauw omhoog. Hoe bestaat het dacht hij, dit meisje was zeker niet ongemanierd, wel vrij in haar doen en laten maar dat was juist haar grootste charme.
Hij begreep waarom zij zo kinderlijk was gebleven, ze had nauwelijks contact gehad met iemand, op Jeltje na. Hij zag haar in het stille gebouw. Jeltje en de andere meisjes weg en zij de karweitjes opknappen waar de anderen ‘te goed’ voor waren. Het arme kind.
De koets stopte en de deur werd opengemaakt. De koetsier klapte het trapje uit en hielp Lies de koets uit, Rouweneel volgde.
Lies keek haar ogen uit. Ze waren in een straat met allemaal winkels. Koetsen reden af en aan en overal liepen deftige vrouwen en mannen. Lies zag de mooie laarsjes van de vrouwen en hoorde de rokken ruisen. Met open mond keek ze in het rond. 'Kom kind, we moeten hier naar binnen.'
Rouweneel hield een deur open, een belletje klingelde, en op haar tenen liep Lies de zaak binnen.
Ze was letterlijk met stomheid geslagen, overal om haar heen lagen balen stof, tot aan het plafond toe. De meeste mooie kleuren glansden haar tegemoet. Ze wilde erover strijken maar durfde niet.
'Doe die deur dicht, ik stook me al arm,' riep een kleine man van achter uit de winkel. Om zijn nek had hij een meetlint, aan de onderkant van zijn kalende hoofd stond zijn witte haar wijduit. Zijn bruine broek en lichtbruine buis zaten onder de kleine draadjes. Om zijn arm droeg hij een band met een kussentje waar allemaal spelden in staken.
‘Dag mevrouw meneer, wat kan ik voor u doen?’
‘Deze jongedame gaat op reis en ik wil een eenvoudige reisjurk en mantel voor haar. Het moet snel klaar zijn, over drie weken vertrekt ze. Áls het op tijd klaar is zit er wel een extraatje aan vast’.
De man hief zijn handen: ‘Iedereen wil alles maar snel klaar hebben, ik heb maar twee stel handen meneer. Ik kan niet toveren.’
‘Ja twee stel handen maar tien meisjes die het werk doen. Als het u niet lukt dan ga ik wel naar Jongeneel. Kijken of hij het wel kan.’
De kleermaken sloeg om als een blad aan een boom.
‘Eens kijken, een eenvoudig reiskostuum voor deze jongedame zei u.’ Hij bekeek Lies van top tot teen en merkte op dat er zich geen problemen zouden voordoen, een model aanbrengen in haar kleding was nauwelijks nodig, het meisje had geen figuur. Hij keek naar de stakerige, rode handen en het dunne, fijne gezicht. Mooi was ze wel dacht hij.
'Ja het zal me wel lukken.' antwoordde hij. ‘Meneer wenste zeker de goedkoopste stof gezien de afkomst van het meisje, was zij misschien in de problemen geraakt?’
‘Zeer zeker niet! snauwde Rouweneel. ‘Dit meisje is uitgekozen om naar Frederiksoord te vertrekken en ik wil dat ze er een beetje fatsoenlijker uit ziet dan nu, het is een schande dat het weeshuis haar er zo bij laat lopen!’ Ze is een vondeling zonder familie dus het bestuur vind het niet nodig dat zij goede kleren heeft…
De kleermaker kromp ineen en pakte zijn meetlint. Als meneer het toestaat dat ik haar maten opneem dan zal ik zorgen dat over twee weken de kleding klaar is.'
De kleermaker merkte verrast op dat onder de opgelapte rok en wijde blouse meer model zat dan hij gedacht had. Begerig keek hij naar Lies frisse gezicht en slanke, ranke lichaam, jammer dat ze wegging, haar had hij wel in zijn atelier willen hebben. Rouweneel zag de blik van de man en voelde een intense afkeer. Deze man was weliswaar een vakman maar het zou de laatste keer zijn dat hij hier kwam. Zijn blik en manier van doen stond hem zeer tegen.
Nadat de maten nauwkeurig opgenomen waren, een proces wat Lies met een hoogrode kleur ondergaan had, werd de stof uitgezocht. De jurk werd van grijsblauw laken, de jas van zwarte wol.
Rouweneel pakte Lies bij haar arm nadat hij een datum had afgesproken met de kleermaken om het pakket op te halen en leidde Lies de winkel uit. Een rilling gleed over zijn rug. Hoe zou dit onbevangen kind zich staande weten te houden in de kolonie? Ze was zo wereldvreemd.
Op de terugweg was Lies stil en Rouweneel miste het opgewekte gesprek van de heenreis.
'Wat mankeert er aan Lies? Heb je spijt dat je meegegaan bent?'
Met een ruk hief Lies haar hoofd omhoog, twee felblauwe ogen keken hem recht aan.
‘Nee, geen spijt, maar ik vond die man eng. Hij keek zo vreemd naar me en toen hij de maat nam voelde hij, nou ja, hij had zijn handen, eh, heel ver onder mijn armen gestoken. Ongemakkelijk schoof ze over de zitting van de bank. ‘De schoft’ dacht Rouweneel.
‘Ja je moet je maar goed houden aan wat mevrouw Krakeel tegen je zei, niet iedereen is aardig of goed. Maar kind, je wilde niet naar Frederiksoord, denk je er nu anders over?'
'Nee, ja, ik wil wel en niet. Ik wil Jeltje niet kwijtraken. Ze mag toch niet naar me schrijven van Krakeel. Maar ik wil ook wel weg bij Krakeel. Ik weet het niet, ik ben bang en aan de andere kant vind ik het leuk. Is het in Frederiksoord ook zo druk als waar we net waren?'
Rouweneel, begon te lachen. ‘Nee kind, Frederiksoord is rustig. Het ligt midden in weilanden en veengronden, maar dat zal je allemaal wel zien. Ik denk dat je nog nooit een weiland gezien hebt. Heb je wel eens gras gezien vraag ik me zelfs af.'
‘Ja gras wel, dat groeit tussen de stenen van de binnenplaats en dat moet ik weghalen van Krakeel omdat het glad wordt en vies is, vooral als het geregend heeft. Een meisje was uitgegleden over het gras en had haar been gebroken, vanaf die tijd moet ik steeds het gras weghalen.
Maar dat vind ik niet zo erg want dan hoef ik tenminste niet binnen te zitten en kleren te verstellen. Daar heb ik echt een hekel aan!
Maar waarom zei die man dat ik de goedkoopste stof moest hebben zeker?'
Rouweneel kleurde. 'Het is een domme man' zei hij. 'Hij denkt dat een weesmeisje toch geen mooie kleren nodig heeft en dat de directie, Krakeel, liever donkere, harde en dikke stof hebben omdat het minder snel kapot gaat en het er niet zo gauw vies uit ziet. Hij snapt niet dat ook een weesmeisje graag warme en mooie kleren draagt.'
‘Ik heb er eigenlijk nog nooit zo over nagedacht, antwoordde Lies. Het wás gewoon altijd zo, iedereen moet dezelfde kleren aan door de week, alleen die van de andere meisjes zijn beter en zij krijgen vaak nieuwe kleren. Ik moet hun kleren dragen. Dit is voor het eerst dat ik ook nieuwe kleren krijg.'
Rouweneel dacht aan zijn zus die een kamer vol kleren had, en dat heel gewoon vond en steeds meer wilde.
Bij aankomst van het weeshuis hielp hij Lies uit de koets en vertelde dat hij haar over drie weken kwam halen, dan zouden ze weer met de koets gaan naar de Veerhaven, om daar op de boot naar Amsterdam te gaan.
‘Gaat u ook daar wonen?' Vroeg Lies.
‘Nee, maar ik breng jou en de andere mensen eerst naar Amsterdam en vanaf daar varen we over de Zuiderzee naar Frederiksoord. Ik blijf dan een paar dagen daar en ga dan weer terug naar Den Haag.
‘Als ik het nou heel erg naar vind daar, kan ik dan mee terug?’
‘Nee, dat zal niet gaan, maar ik denk dat je het daar veel beter hebt dan hier, je zal het zeker prettig vinden daar.’
Met deze woorden nam hij afscheid van haar en stapte terug in de koets. Lies keek hem na, en vond het jammer dat hij wegging en niet ook daar ging wonen.
Krakeel kwam naar buiten stormen. Lies, wat sta je daar te lummelen. Trek je werkgoed aan en aan het werk. Genoeg geluierd vandaag. Het blijft geen feest!
Lies zuchtte en bedacht dat het toch wel lekker was om nooit meer Krakeel te hoeven zien of te horen.
Nog even draaide ze zich om, de koets was weg. Het gewone leven begon weer, maar niet voor lang meer. Diep binnen in haar borrelde blijdschap op. Zingend liep ze achter Krakeel aan naar binnen.
Totaal 8800
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten