zondag 2 november 2008

1 Frederiksoord

Amsterdam, oktober 1818

‘Hendrik het is gelukt, je gaat naar Frederiksoord. Het heeft me veel overredingskracht gekost, je weet wel waarom. Je zal je vrouw in de gaten moeten houden. Ze zal moeten stoppen met de drank en flink aan moeten pakken. Haar huidige gedrag maakte dat ik de plaatsing er nauwelijks door kreeg.’
Hendrik kwam moeizaam overeind, hij moest steun zoeken aan de railing. Het duizelde hem. Kreeg hij alsnog een kans? Zou hij een nieuw leven kunnen beginnen? Hij hield de hamer stijf in zijn hand geklemd en spuugde de nagels die tussen zijn lippen zaten op het dek. Met zijn andere hand trok hij moeizaam de pet van zijn hoofd.
Schor prevelde hij: ‘Meneer Assenhoff, ik weet niet wat ik moet zeggen. Dank u. Ik ben u al zoveel dank verschuldigd, u heeft al zoveel voor mij gedaan. Zonder u was ik er waarschijnlijk niet eens meer.’
Assenhoff wuifde zijn dankbetuiging weg: ‘Aan jou ligt het ook niet, ik weet dat je doet wat je kan, en je bent een goed vakman. Wat dat betreft snijd ik in mijn eigen vingers. Aan jou wist ik wat ik had. Ik zal een nieuwe man moeten zoeken om de klussen op dit schip te klaren. Jij kent dit schip als geen ander, jij kent al haar kuren en weet haar zwakke plekken. Voor ik weer zo iemand vind. Maar…’ Zijn wijsvinger tikte op Hendriks borst, ’Je vrouw, houdt haar in de gaten, zij veroorzaakt steeds opnieuw problemen, zij is het die gemaakt heeft dat jij nu in deze situatie zit. Houdt de fles bij haar weg. En jij, zorg goed voor jezelf. Je krijgt daar een huis, kleding, een stuk land, en voldoende voedsel. Je zal het daar stukken beter krijgen dan hier. Laat haar dat niet van je afnemen.’
Bezorgd keek hij Hendrik aan: ‘Denk je dat je land kunt bewerken? Als je eenmaal de slag te pakken hebt dan is het niet zo zwaar meer, de frisse lucht zal je goed doen. Je weet dat ik er afgelopen zomer geweest ben en als herboren terugkwam. Jij zal je je daar veel beter voelen, je zal aansterken. Denk je eens in, een goede slaapplaats met dekens en een altijd warme kachel. Je zal weer vlees op je botten krijgen.’ Joviaal sloeg hij Hendrik op de schouder.
De magere, schonkige Hendrik schoot in een rochelende hoestbui. Gierend, naar adem snakkend trok hij langzamerhand weer bij. Even vroeg Assenhoff zich af of de man de reis en het leven daar wel zou aankunnen maar zijn onverwoestbare optimisme nam al snel weer de overhand. Het zou de man goeddoen. In gedachte zag hij Hendrik met een gezonde, frisse kleur voor zich. Een man die stevig op zijn benen zou staan, niet dit uitgeteerde mannetje meer zou zijn. Het vulde hem met vreugde.
‘Kom morgenochtend naar mijn kantoor dan zal ik je het contract laten lezen en vertellen met welk schip je vertrekt. Je kan toch lezen neem ik aan? Anders laat ik het voorlezen’.
Hendrik knikte, ja hij kon lezen, zijn vrouw niet.
‘Je vrouw moet meekomen, nuchter, ik zal met haar een duchtig woordje te bespreken hebben! Maar genoeg gepraat, aan het werk. Tot morgen!’ Met een brede zwaai nam hij afscheid. Even later zag Hendrik hem in de wachtende koets op de kade stappen en wegrijden. Moeizaam zakte hij weer op zijn knieën. Duizenden gedachten schoten door zijn hoofd. Zou hij Rie zo ver weten te krijgen? Zou ze eindelijk kunnen inzien dat het zo niet langer meer gaat. Hij begreep wel waarom ze zoveel dronk. Het leven was zwaar en er was amper eten. De drank schonk haar troost, dan kon ze lachen en grappen maken. Maar zou ze het willen? Weg uit haar buurt waar ze geboren en opgegroeid was. Waar ze iedereen kende. Alleen zou hij nooit daar naar toe kunnen gaan. Dan was de kans verkeken. Ze moest mee, desnoods kwaadschiks. Daar zouden ze opnieuw kunnen beginnen…

Den Haag, oktober 1818

‘Lies, je moet bij mevrouw ‘Krakeel’ komen! Meteen! Wat heb je nú weer gedaan?’
Jeltje keek lachend naar Lies. Heb je weer staan kletsen met de lantaarnopsteker? Of was je vanochtend niet op tijd?’
Lies wist het wel. Ze had gisteren dubbel soep gegeten, hoe vies het ook was. Neel kreeg het toch niet weg en zij had nog zo’n honger gehad. ‘Krakeel’ zal het wel weer gezien hebben, wat zou nu haar straf weer zijn? Ze haalde haar schouders op. Straf kon haar niet schelen.
Ze slenterde de gang door en klopte aan. ‘Entree’ hoorde ze Krakeel roepen. Lies onderdrukte een giechellach. ‘Zoo meisje’ hoorde ze haar alweer zeggen: Wat ik nu gezien heb stemt mij met droefenis. Je bent een beste meid maar die ondeugende trekjes zal je moeten onderdrukken. Je moet godsvruchtig, en gehoorzaam zijn en denk aan de drie b’s bekwaam, betrouwbaar en beschaafd. Hoe vaak moet ik je dat nu nog zeggen. Daarbij zou Krakeel haar bedroefd aankijken en haar hoofd schudden. Lies zuchtte en deed de deur open van de kamer. Maar deze keer liep alles heel anders.
Binnen zat een man en Krakeel sprong op en liep naar haar toe. Dag Elizabeth, zei ze heel vriendelijk, dit is mijnheer Rouweneel en hij heeft goed nieuws voor je. Zeg hem eens gedag.
Elizabeth boog licht door haar knieën en knikte naar de man. Dag meneer Rouweneel. Krakeel pakte haar bij haar schouders en duwde haar richting de stoel die langs de kant van de kamer stond. ‘Zo Elizabeth, luister nu maar eens goed naar meneer.’
Rouweneel schraapte zijn keel en stak van wal. Hij vertelde Lies dat zij naar Frederiksoord zou gaan. De Maatschappij voor weldadigheid had besloten enkele weeskinderen een nieuwe kans te geven. Mevrouw Krackmans had haar aangewezen als kandidaat. De man vertelde verder dat zij u bij meneer en mevrouw Rigardeau ingedeeld was, dat waren erg vriendelijke en zorgzame mensen. In Frederiksoord zou ze een vak leren en wel het weven en spinnen zodat zij zich later in de maatschappij zich staande zou kunnen houden. Ook zou zij in de avonduren leren lezen en schrijven. Ze zou in een goed huis komen te wonen en een twee stel ordentelijke kleren krijgen. Eén stel voor door de week en een stel voor de zondag opdat zij netjes de kerkgang kon maken. De frisse lucht en de opgewektheid van de mensen die in dit oord gingen wonen, de blijdschap van hen om de geboden kans, zou maken dat zij zeer door haar tevredenheid en geluk elke dag de Heere zou danken dat zij uitverkoren was om daar te mogen wonen.
Stralend keek Krakeel Lies aan, ‘Wel Elizabeth, wat zeg je me hiervan? Is het niet een zegen? Jij mag in dat wonderschone oord gaan wonen, jij hebt een geluk wat zelden iemand toebedeeld krijgt. Kom kind bedank meneer Rouweneel eens netjes.”
Elizabeth stond op en met haar ogen op de grond gericht mompelde ze haar bedankje. ‘Ach ze is zo verlegen’ glimlachte Krackmans. ‘En nu kan je weer gaan Elizabeth, morgenochtend krijg je je instructies en over enkele weken begint je nieuwe leven.’ Ze duwde Lies richting de deur en knikte het meisje vriendelijk toe. Tot morgen Elizabeth, ik zie je graag gelijk na het ontbijt.
Verdoofd liep Lies de gang in. Wat had die man gezegd? Ze ging weg? Wonen bij mensen die ze niet kende? Spinnen en weven, schrijven en lezen? Waar was Frederiksoord? Ze had er nog nooit over gehoord.
Au! , nijdig sloeg ze de hand weg die in haar arm kneep. Ze keek in de pretogen van Jeltje. ‘Ooo jij bent even kwaad, lachte Jeltje. Was ze weer zo erg?’ Ze duwde haar haar omhoog en met de stem van Krakeel riep ze: ‘Elizabeth je bent een lief meisje, maar wel een beetje lui.’ Maar toen Lies alleen maar een flauw glimlachje toonde hield ze in. ‘Wat is er gebeurd? Je doet zo raar.’
‘Het was ook heel raar, er zat een man en die vertelde dat ik naar Frederiksoord ga, ik ga wonen bij meneer en mevrouw Rigeau of zoiets. Ik had heel veel geluk zei Krakeel. Ze wil me gewoon kwijt.’
‘Frederiksoord zei je? Vroeg Jeltje. Daar heb ik wel eens over gehoord, laat me even nadenken. Wat was dat ook alweer. Ze liep heen en weer door de gang. Ineens hield ze haar pas in. ‘Ik weet het weer! Dat is de kolonie! Ik was bij meneer pastoor aan het werk en hij zat met een man te praten over Frederiksoord. Die man vertelde dat hij een stuk land had gekocht en daar huizen gebouwd had voor arme mensen. Hij vroeg of meneer pastoor mensen wist die netjes waren, die arm waren geworden maar daar niets aan konden doen. Ga jij daar naar toe? Wat raar, want die meneer vroeg om een getrouwde man en vrouw met kinderen. Die man zou dan boer worden en die vrouw moest dan spinnen en weven leren en de kinderen moesten naar school. Waarom ga jij dan?’
‘Ja, dat weet ik ook niet’ zei Lies kribbig. Maar ik wil helemaal niet! Ik ga gewoon niet! ‘
‘Het was wel een heel knappe man.’ Plaagde Lies. Hij had donker haar en een heleboel krullen en heel mooie bruine ogen. Hij had ook heel mooie kleren aan. Die man woont in Frederiksoord geloof ik.
En toen ik hem hoorde vertellen dacht ik nog daar zou ik wel willen wonen. Misschien mag ik dan wel in zijn huis werken. O Lies, kon ik maar gaan. Mag ik met je ruilen? Zal ik stiekem in jouw plaats gaan?
Lies moest ondanks alles lachen om die gekke Jeltje ‘Je denkt toch niet dat je dat bij Krakeel lukt. Krakeel zorgt er wel voor dat ze zeker weet dat ik wegga, ze is maar wat blij dat ze me eindelijk weg kan sturen. Maar weet je wat! Ik vraag of jij mee mag! Kom op, ik ga het meteen vragen.’ Ze holde de gang door, Jetje met zich meeslepend. Ze klopte op de deur en onmiddellijk na het horen van ‘Entree’
rende ze naar binnen. Mevrouw Krak.. Krackmans, Jeltje kan wel met me mee. U zegt altijd dat u nauwelijks weet hoe u al die monden gevoed moet krijgen en als Jeltje mee gaat dan scheelt dat weer een mond. ‘Jongedame’ zei een stem achter haar, ‘Dat is onmogelijk, elke stad mag een bepaald aantal mensen sturen en de limiet is bereikt. Helaas deze jongedame kan niet mee.’
‘Dan ga ik ook niet!’ riep Lies en ze verliet met grote stappen de kamer. Jeltje knikte naar Krakeel en de man en rende achter Lies aan. ‘Elizabeth, Jeltje!’ hoorden ze Krakeel roepen. ‘Onmiddellijk hier komen!’ maar de meisjes renden door, de gang uit, naar de slaapzaal, daar zou nu niemand zijn.

2 opmerkingen:

Elefteria zei

joehoe Dettie!!! super!!! kom je nog ff wordwarren vanavond om 9 uur?

Fellini zei

Mooi verhaal. Ik krijg het nog druk met lezen in november.